De Geo - Leerboek - 1 vwo (11e editie) - Klimaat en natuurlandschappen in Europa
Publiek
Woorden in deze lijst (77)
Origineel
- aanlandige wind
- Wind vanaf zee. Heet ook zeewind.
- aflandige wind
- Wind vanaf land.
- albedo
- De mate waarin zonnestraling weerkaatst wordt.
- archipel
- Eilandengroep.
- boomgrens
- Grens tussen een gebied waar nog wel bomen groeien en waar geen bomen meer kunnen groeien door de lage temperatuur (kouder dan 10 °C in de zomer).
- breedteligging
- De afstand van een plaats tot de evenaar.
- dimensie
- De invalshoek van waaruit je een bepaald onderwerp bekijkt: fysisch, economisch, sociaal-cultureel, demografisch of politiek.
- droog klimaat
- Klimaat met weinig of geen neerslag.
- eeuwige sneeuw
- Gebied waar altijd sneeuw ligt.
- firnbekken
- Verzamelbekken van sneeuw, hoog in de bergen.
- fossiele brandstof
- Brandstof (aardgas, aardolie, bruinkool, steenkool) die in de miljoenen jaren gevormd is vanuit planten- en/
of dierenresten. Heet ook fossiele energiebron. - fotosynthese
- Het onder invloed van zonlicht omzetten van water en koolzuurgas in glucose (suikers) en zuurstof door bomen en planten.
- gelede kust
- Kust met veel inhammen waar de zee diep het land kan binnendringen.
- gematigde zone
- Luchtstreek tussen de breedtecirkels 23½ en 66½° N.B. en 23½ en 66½° Z.B. Gematigd wil zeggen: niet heel warm en niet heel koud.
- glaciaal
- Koude periode waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen. Heet ook glaciaal.
- glaciale landschapsvorm
- Landschap dat is gevormd door de schurende werking van gletsjers of landijs.
- gletsjer
- Enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift.
- heuvelland
- Gebied met een hoogteligging van tussen de 200 m en 500 m.
- hoge breedte
- De ligging van een plaats ver van de evenaar (hoger dan 60° N.B. en Z.B.).
- hogedrukgebied
- Gebied met dalende lucht, veel zon en weinig bewolking.
- hooggebergte
- Berggebied met toppen die hoger zijn dan 1.500 m.
- hooggebergteklimaat
- Koud en nat klimaat. De temperatuur in de zomer is gemiddeld lager dan 0 °C.
- hoogvlakte
- Vlak of zacht golvend gebied dat meer dan 500 m hoog ligt. Heet ook plateau.
- ijstijd
- Koude periode waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen. Heet ook glaciaal.
- interglaciaal
- Periode tussen twee ijstijden waarin het klimaat enkele graden opwarmt.
- irrigatie
- Het kunstmatig nathouden van landbouwgronden.
- jaaramplitude
- Het verschil tussen de gemiddeld hoogste en laagste temperatuur in een jaar.
- klimaat
- Het gemiddelde weer in een bepaald gebied over een langere tijd, meestal dertig jaar.
- klimaatdiagram
- Diagram met een overzicht van de gemiddelde temperatuur en de gemiddelde neerslag per maand in een plaats of een gebied.
- klimaatscheiding
- Verschijnsel dat gebieden aan beide kanten van een berg andere neerslag- en temperatuurkenmerken hebben.
- klimaatverandering
- Geleidelijke of abrupte verandering in het klimaat door natuurlijke processen en/
of invloed van de mens. - koolstofdioxide (CO₂)
- Gas in de dampkring dat voor het leven op aarde van groot belang is. Het is een broeikasgas.
- koolstofkringloop
- Alle uitwisselingen van koolstofdioxide (CO₂) op aarde.
- laagland
- Gebied met een hoogteligging lager dan 200 m.
- laagvlakte
- Gebied met weinig of geen reliëf dat lager ligt dan 500 m.
- lage breedte
- De ligging van een plaats dicht bij de evenaar (lager dan 30° N.B. en Z.B.).
- lagedrukgebied
- Gebied met stijgende lucht, vaak bewolking en/
of regen. - landijs
- Honderden meters tot kilometers dikke lagen ijs op het land die zijn ontstaan doordat sneeuw eeuwenlang laag na laag bleef liggen en onderin werd samengeperst tot ijs.
- landklimaat
- Klimaat waarbij de gemiddelde temperatuur in de warmste maand hoger is dan 10 °C en in de koudste maand lager is dan -3 °C.
- landschapszone
- Grote gebieden die worden gekenmerkt door een bepaald landschap, dat vaak wordt gevormd door het klimaat en de vegetatie.
- lijzijde
- De kant van de berg(en) die uit de wind ligt; er valt weinig neerslag.
- loefzijde
- De windkant van de berg(en); er valt veel neerslag.
- loofboomgordel
- Zone in de gematigde zone (luchtstreek) waar loofbomen groeien, zoals eiken en beuken.
- luchtdruk
- Het gewicht waarmee een kolom lucht op de aarde drukt.
- luchtstreek
- Temperatuurzone op aarde: de tropische zone (tropen), gematigde zone en polaire zone (poolstreek).
- mediterraan klimaat
- Klimaat met hete, droge zomers en vochtige, zachte winters. Heet ook mediterraan klimaat.
- microklimaat
- Zeer lokaal klimaat dat verschilt van het omringende klimaat.
- middelgebergte
- Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 en 1.500 m hoog zijn.
- Middellandse Zeeklimaat
- Klimaat met hete, droge zomers en vochtige, zachte winters. Heet ook mediterraan klimaat.
- middernachtzon
- Periode in de zomer in de poolstreek waarin de zon niet ondergaat.
- naaldbomengordel
- Natuurlandschap in de gematigde zone (luchtstreek) met naaldbomen. In de winter is het er gemiddeld kouder dan -3 °C. Heet ook naaldbomengordel.
- natuurlijk broeikaseffect
- Opwarming van de aarde als gevolg van de van nature aanwezige broeikasgassen (zoals CO₂) in de dampkring.
- neerslag
- Water dat in vaste (sneeuw, hagel) of vloeibare (regen, mist) vorm uit de dampkring op aarde neerkomt.
- permafrost
- Altijd bevroren ondergrond, soms wel tot op 1 km diepte.
- plateau
- Vlak of zacht golvend gebied dat meer dan 500 m hoog ligt. Heet ook plateau.
- poolcirkel
- De breedtecirkel van 66½° N.B. (noordpoolcirkel) en 66½° Z.B. (zuidpoolcirkel).
- poollicht
- Gekleurde lichtverschijnselen aan de hemel, veroorzaakt door botsing van zonnedeeeltjes en het magnetische veld van de aarde.
- poolstreek
- Het gebied ten noorden van 66½° N.B. en ten zuiden van 66½° Z.B. Heet ook polaire zone.
- regenschaduw
- De lijzijde van een berg, waar de dalende, opwarmende lucht weinig of geen neerslag brengt.
- reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap.
- schiereiland
- Gebied dat aan drie kanten is omringd door zee.
- steppe
- Natuurlandschap waar net genoeg regen valt voor de groei van grassen en lage struikjes.
- stuwingsregen
- Neerslag die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte.
- subtropen
- Deel van de gematigde zone (luchtstreek) dat het dichtst bij de tropen ligt (sub = onder). Het is er minder warm dan in de tropen, maar warmer dan in de rest van de gematigde zone.
- taiga
- Natuurlandschap in de gematigde zone (luchtstreek) met naaldbomen. In de winter is het er gemiddeld kouder dan -3 °C. Heet ook naaldbomengordel.
- temperatuurfactor
- Factor die van invloed is op de temperatuur in een gebied.
- temperatuurgradiënt
- De daling van de temperatuur bij toenemende hoogte. Per 100 m stijging wordt het 0,6 °C kouder.
- terugkoppeling
- Iets wat een proces, bijvoorbeeld klimaatverandering, beïnvloedt. Positieve terugkoppeling versterkt dan de klimaatverandering en negatieve terugkoppeling zwakt de verandering af.
- toendra
- Natuurlandschap in de poolstreken met begroeiing van grassen, mossen en lage struiken.
- toendraklimaat
- Koud klimaat met in de warmste maand een gemiddelde temperatuur van tussen de 0 en 10 °C.
- versterkt broeikaseffect
- Versterking van het 'natuurlijke' effect van CO₂ door de sterke toename van het gas in de dampkring.
- verwoestijning
- Uitbreiding van een woestijn.
- zeeklimaat
- Klimaat met een gemiddelde temperatuur in de warmste maand van boven de 10 °C en in de koudste maand van tussen de 18 en -3 °C. Het heeft koele zomers, zachte winters en er valt het hele jaar door neerslag.
- zeespiegelstijging
- Stijging van de zeespiegel door het afsmelten van gletsjers en landijs en het uitzetten van het zeewater.
- zeestroom
- Stroming van zeewater die ontstaat doordat de wind langdurig uit één richting waait.
- zeewind
- Wind vanaf zee. Heet ook zeewind.
- zijmorene
- Puin (zand, gruis, rotsblokken, stenen) dat aan de zijkanten van een gletsjer is blijven liggen.