Biologie toets oefenen
Publiek
1keer geoefend
Woorden in deze lijst (33)
Origineel
- Erfelijkheid
- eigenschappen die van ouders naar kinderen worden doorgegeven
- Erfelijke eigenschap
- kenmerk dat in je DNA zit (bijv. oogkleur)
- Celkern
- deel van de cel waar het DNA ligt
- Chromosoom
- opgerold DNA in de celkern
- DNA
- molecuul met alle erfelijke informatie
- Gen
- stukje DNA met code voor één eigenschap
- Genotype
- alle genen/
allelen die je hebt - Fenotype
- wat je ziet van een eigenschap (uiterlijk of gedrag)
- Chromosomenpaar
- twee chromosomen die bij elkaar horen (één van vader, één van moeder)
- Geslachtscel
- eicel of zaadcel met 23 chromosomen
- X-chromosoom
- geslachtschromosoom dat bij mannen en vrouwen voorkomt
- Y-chromosoom
- geslachtschromosoom dat alleen bij mannen voorkomt
- XX
- chromosomencombinatie van een meisje
- XY
- chromosomencombinatie van een jongen
- Allel
- variant van een gen
- Dominant
- allel dat bepaalt hoe de eigenschap eruitziet
- Recessief
- allel dat alleen zichtbaar is als je er twee hebt
- Homozygoot
- twee dezelfde allelen (AA of aa)
- Heterozygoot
- twee verschillende allelen (Aa)
- Familiestamboom
- schema dat laat zien hoe eigenschappen in een familie overerven
- RNA
- kopie van een stukje DNA dat helpt bij het maken van eiwitten
- Ribosoom
- deel van de cel waar eiwitten worden gemaakt
- Aminozuur
- bouwsteen van eiwitten
- Genetische code
- volgorde van basen in DNA die bepaalt welk eiwit wordt gemaakt
- Base
- bouwsteen van DNA (A, T, C, G)
- Transcriptie
- kopie maken van DNA naar RNA
- Translatie
- RNA wordt gebruikt om aminozuren aan elkaar te koppelen
- Eiwitsynthese
- proces waarbij cellen eiwitten maken
- Mutatie
- verandering in het DNA
- Genetische variatie
- verschillen in DNA tussen organismen
- Natuurlijke selectie
- organismen met gunstige eigenschappen overleven vaker
- Selectiedruk
- invloed van de omgeving op welke eigenschappen blijven bestaan
- Evolutie
- soorten veranderen langzaam over lange tijd