Begrippen Lezen
Publiek
Woorden in deze lijst (44)
Origineel
- Alinea
- Een aantal zinnen die bij elkaar horen omdat ze over hetzelfde gaan
- Context
- De tekst rond een woord
- Deelonderwerpen
- Verschillende aspecten (kanten, delen) van het onderwerp die in het middenstuk besproken worden
- Functiewoord
- Woord waarmee je de functie van (een deel van) een alinea binnen een tekst kunt benoemen
- Aanbeveling
- Goede raad: de schrijver doet een suggestie voor de oplossing van een probleem
- Aanleiding
- Actuele gebeurtenis die de schrijver gebruikt om zijn tekst aan op te hangen
- Afweging
- Soort vergelijking: de schrijver moet van bijvoorbeeld voor- en nadelen of voor- en tegenargumenten bepalen wat het belangrijkste is
- Anekdote
- (Waargebeurd en meestal grappig) verhaaltje als illustratie (voorbeeld) bij het onderwerp van een tekst
- Constatering
- Vaststelling of waarneming van een feit of verschijnsel
- Definitie
- Zeer nauwkeurige omschrijving van een word of begrip
- Nuancering
- Verfijning of een kleine aanpassing van een bewering of stelling
- Probleemstelling
- Omschrijving van een probleem
- Tegenargument
- Uitspraak waarmee een schrijver of spreker een standpunt of een argument probeert te weerleggen of te ontkrachten
- Uitwerking
- Extra, vaak meer gedetailleerde informatie
- Verklaring
- Uitleg waarom iets is zoals het is
- Vraagstelling
- Vraag die in (een deel van) de tekst centraal staat
- Weerlegging
- Sterke ontkrachting van een argumentatie
- Hoofdgedachte
- Één volledige zin die het belangrijkste samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt
- Informerende titel
- Titel die aangeeft waar de tekst over gaat
- Inleiding
- Het eerste deel van een tekst, bestaande uit één of enkele alinea's; een inleiding heeft twee functies: de lezer nieuwsgierig maken naar de rest van de tekst en duidelijk maken wat het onderwerp van de tekst is
- Kernzin
- Zin die de belangrijkste informatie van een alinea bevat
- Globaal lezen
- Strategie om vast te stellen welke kanten van het onderwerp besproken worden
- Oriënterend lezen
- Strategie om vast te stellen wat het onderwerp van een tekst is
- Precies lezen
- Strategie om een tekst helemaal goed te begrijpen
- Zoekend lezen
- Strategie om bruikbare informatie in een tekst te vinden
- Middenstuk
- Tekstdeel waarin de meeste informatie over het onderwerp staat
- Motiverende titel
- Titel die de lezer nieuwsgierig maakt naar de tekst
- Onderwerp
- Een of meer woorden die aangeven waarover een tekst gaat
- Signaalwoorden
- Woorden waaraan tekstverbanden te herkennen zijn
- Slot
- Laatste deel van een tekst; bevat vaak een conclusie (de hoofdgedachte), een korte samenvatting, een aanbeveling (een advies), een aansluiting bij de inleiding en/
of een toekomstverwachting - Tekstdoel
- Wat een schrijver met zijn tekst wil bereiken: amuseren, informeren, instrueren, overtuigen of activeren
- Tekstverband
- Samenhang van woorden, zinnen en alinea's binnen een tekst, te herkennen aan signaalwoorden
- Chronologisch verband
- Geeft de gebeurtenissen in de juiste tijdsvolgorde aan
- Concluderend verband
- Geeft een conclusie uit eerdere informatie in de tekst
- Doel-middelverband
- Geeft aan welk middel wordt gebruikt om een bepaald doel te bereiken
- Oorzakelijk verband
- Laat zien waardoor iets gebeurt (waarop je niet altijd invloed hebt)
- Opsommend verband
- Noemt bepaalde zaken achter elkaar
- Redengevend verband
- Geeft aan waarom iemand iets doet of vindt
- Samenvattend verband
- Geeft een verkorte weergave van eerdere informatie in de tekst
- Tegenstellend verband
- Laat tegenovergestelde zaken zien
- Toegevend verband
- Geeft een andere kant van de zaak aan
- Toelichtend verband
- Geeft extra informatie, vaak in de vorm van een voorbeeld
- Vergelijkend verband
- Laat een verschil of een overeenkomst zien
- Voorwaardelijk verband
- Maakt duidelijk onder welke voorwaarden iets gebeurt