Duits grammatica

Publiek
7
Woorden in deze lijst (56)
Origineel
- ik vorm van kunnen
- kann
- jij vorm van kunnen
- kannst
- hij/
zij/ het vorm van kunnen - kann
- wij vorm van kunnen
- können
- jullie vorm van kunnen
- könnt
- zij vorm van kunnen
- können
- U vorm van kunnen
- können
- ik vorm van mogen
- darf
- jij vorm van mogen
- darfst
- hij/
zij/ het vorm van mogen - darf
- wij vorm van mogen
- dürfen
- jullie vorm van mogen
- dürft
- zij vorm van mogen
- dürfen
- U vorm van mogen
- dürfen
- ik vorm van moeten ( het kan niet anders )
- muss
- jij vorm van moeten
- musst
- hij/
zij/ het vorm van moeten ( het kan niet anders ) - muss
- wij vorm van moeten ( het kan niet anders )
- müssen
- jullie vorm van moeten ( het kan niet anders )
- müsst
- zij vorm van moeten ( het kan niet anders )
- müssen
- U vorm van moeten ( het kan niet anders )
- müssen
- ik vorm van weten
- weib
- jij vorm van weten
- weibt
- hij/
zij/ het vorm van weten - weib
- wij vorm van weten
- wissen
- jullie vorm van weten
- wisst
- zij vorm van weten
- wissen
- U vorm van weten
- wissen
- ik vorm van moeten ( wil van een ander )
- soll
- jij vorm van moeten ( wil van een ander )
- sollst
- hij/
zij/ het vorm van moeten ( wil van een ander ) - soll
- wij vorm van moeten ( wil van een ander )
- sollen
- jullie vorm van moeten ( wil van een ander )
- sollt
- zij vorm van moeten ( wil van een ander )
- sollen
- U vorm van moeten ( wil van een ander )
- sollen
- ik vorm van willen
- will
- jij vorm van willen
- willst
- hij/
zij/ het vorm van willen - will
- wij vorm van willen
- wollen
- jullie vorm van willen
- wollt
- zij vorm van willen
- wollen
- U vorm van willen
- wollen
- ik vorm van leuk vinden, lusten
- mag
- jij vorm van leuk vinden, lusten
- magst
- hij/
zij/ het vorm van leuk vinden, lusten - mag
- wij vorm van leuk vinden, lusten
- mögen
- jullie vorm van leuk vinden, lusten
- mögt
- zij vorm van leuk vinden, lusten
- mögen
- U vorm van leuk vinden, lusten
- mögen
- ik vorm van willen ( wens )
- möchte
- jij vorm van willen ( wens )
- möchtest
- hij/
zij/ het vorm van willen ( wens ) - möchte
- wij vorm van willen ( wens )
- möchten
- jullie vorm van willen ( wens )
- möchtet
- zij vorm van willen ( wens )
- möchten
- U vorm van willen ( wens )
- möchten