De invloed van reliëf
Publiek
Woorden in deze lijst (17)
Origineel
- Reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap.
- Laagland
- Gebied dat lager ligt dan 200 m. Er zijn weinig hoogteverschillen.
- Heuvelland
- Gebied met heuvels tussen de 200 en 500 m hoogte.
- Middelgebergte
- Gebied met bergen van 500 tot 1.500 m hoog.
- Hooggebergte
- Gebergte met bergen die hoger zijn dan 1.500 m.
- Toendraklimaat
- Koud klimaat waarbij het in de zomer gemiddeld niet warmer is dan 10 °C.
- Hooggebergteklimaat
- Koud klimaat waarbij de gemiddelde temperatuur nooit hoger is dan 0 °C. Heet ook sneeuwklimaat.
- Gletsjer
- Hooggelegen ijsmassa (bijvoorbeeld in een gebergte) die heel langzaam naar beneden stroomt.
- Hoogtegordel
- Zone op een bepaalde hoogte in de bergen waar vooral één soort vegetatie voorkomt, bijvoorbeeld loofbomen.
- Loofboomgordel
- Hoogtegordel waar vooral loofbomen groeien.
- Naaldboomgordel
- Hoogtezone waar vooral naaldbomen groeien.
- Boomgrens
- De grens waarboven het te koud is voor boomgroei.
- Alpenweide
- Hoogtegordel met gras en mos die in de bergen ligt boven de boomgrens.
- Rotsgordel
- Hoogtegordel in de bergen die vooral uit rotsen bestaat. Voor plantengroei is het er te koud.
- Loefzijde
- De kant van een berg waar de wind tegenaan waait. Het is de natte kant van de berg.
- Lijzijde
- De zijde van de berg waar de wind niet op staat. Het is de droge kant van de berg.
- Regenschaduw
- Droog gebied dat ontstaat door de beschutte ligging achter een gebergte.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–