6. Klimaat en natuurlandschap in Europa
Publiek
Woorden in deze lijst (75)
Origineel
- aanlandige wind
- Wind vanaf zee. Heet ook zeewind.
- aflandige wind
- Wind vanaf land.
- albedo
- Weerkaatsing van het zonlicht op het aardoppervlak.
- archipel
- Eilandenroep.
- boomgrens
- Grens tussen een gebied waar nog wel bomen groeien en waar geen bomen meer kunnen groeien door de lage temperatuur (kouder dan 10 °C in de zomer).
- breedteligging
- De afstand van een plaats tot de evenaar.
- broeikaseffect
- Vasthouden van zonnewarmte door de dampkring.
- drainage
- De invalshoek van waaruit je een gebied of gebeurtenis bekijkt.
- droog klimaat
- Klimaat met weinig of geen neerslag.
- eeuwige sneeuw
- Gebied waar altijd sneeuw ligt.
- firnbekken
- Verzamelbekken van sneeuw, hoog in de bergen.
- fossiele brandstof
- Brandstof die in miljoenen jaren is gevormd door planten- en/
of dierenresten (aardgas, aardolie, bruinkool en steenkool). - fotosynthese
- Het onder invloed van zonlicht omzetten van water en koolstofdioxide in glucose en zuurstof door planten en bomen.
- gelede kust
- Kust met veel inhammen waar de zee diep het land kan binnendringen.
- gemengd bos
- Bos waar loof- en naaldbomen door elkaar groeien (tussen taiga en loofboomgordel).
- gematigde zone
- Gebied tussen de breedtecirkels van 23½° N.B. en 66½° N.B. en 23½° Z.B. en 66½° Z.B. Gematigd wil zeggen: niet te heet en niet te koud.
- gletsjer
- Enorme ijsmassa die langzaam naar beneden schuift.
- Golfstroom
- Zeestroom die warm water van de Golf van Mexico naar de westkust van Europa brengt.
- heuvelland
- Gebied met een hoogteligging tussen 200 m en 500 m.
- hoge breedte
- De ligging van een plaats ver van de evenaar.
- hooggebergte
- Berggebied met toppen die hoger zijn dan 1.500 m.
- hooggebergteklimaat
- Koud en nat klimaat. De temperatuur in de zomer is gemiddeld lager dan 10 °C.
- hoogvlakte
- Vlak of zacht golvend gebied dat meer dan 500 m hoog ligt. Heet ook plateau.
- ijstijd
- Koude periode waarin zich op het land uitgestrekte ijskappen vormen.
- irrigatie
- Het kunstmatig nathouden van landbouwgronden.
- jaaramplitude
- Het verschil tussen de gemiddeld warmste en de gemiddeld koudste temperatuur van het jaar.
- klimaat
- Het gemiddelde weer in een bepaald gebied over dertig of veertig jaar.
- klimaatscheiding
- Verschijnsel dat de gebieden aan beide kanten van een berg andere neerslag- en temperatuurkenmerken hebben.
- klimaatverandering
- Verandering in het klimaat (bijvoorbeeld hogere temperatuur).
- koolstofdioxide (CO2)
- Gas in de dampkring dat voor het leven op aarde van groot belang is. Het is een broeikasgas.
- koolstofkringloop
- Alle uitwisselingen van koolstofdioxide (CO2) op aarde.
- laagland
- Gebied met een hoogteligging lager dan 200 m.
- laagvlakte
- Gebied zonder hoogteverschillen dat lager ligt dan 500 m.
- lage breedte
- De ligging van een plaats dicht bij de evenaar.
- lagedrukgebied
- Gebied met stijgende lucht, vaak bewolking en/
of regen. - landbouw
- Het houden van dieren of het verbouwen van gewassen voor menselijk gebruik.
- landijs
- Dik ijspakket dat permanent op het land ligt.
- landklimaat
- Klimaat waarbij de gemiddelde temperatuur in de koudste maand lager is dan -3 °C.
- lijzijde
- De kant van de berg die uit de wind ligt; er valt weinig neerslag.
- loefzijde
- De windkant van een gebergte met veel neerslag.
- loofboomgordel
- Zone in de gematigde luchtstreek waar loofbomen, zoals eiken en beuken, groeien.
- luchtstreek
- Temperatuurzone op aarde: tropen, gematigde zone en poolstreken.
- mediterraan klimaat
- Zie Middellandse Zeeklimaat.
- microklimaat
- Zeer lokaal klimaat dat verschilt van het omringende klimaat.
- Middellandse Zeeklimaat
- Klimaat met hete, droge zomers en vochtige, zachte winters. Heet ook mediterraan klimaat.
- middengebergte
- Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500 en 1.500 m hoog zijn.
- middernachtzon
- Periode in de zomer in de poolstreken waarin de zon niet ondergaat.
- morene
- Puin (zand, gruis, stenen, rotsblokken) dat door een gletsjer wordt vervoerd.
- naaldbosgordel
- Zie taiga.
- neerslag
- Water dat in vaste of vloeibare vorm uit de dampkring op aarde neerslaat.
- nuttige neerslag
- Neerslag min verdamping.
- permafrost
- Altijd bevroren ondergrond.
- plateau
- Zie hoogvlakte.
- poolcirkel
- De breedtecirkel van 66½° N.B. en 66½° Z.B.
- poollicht
- Gekleurde lichtverschijnselen aan de hemel, veroorzaakt door botsing van zonnedeltjes die de ruimte in worden geslingerd, met het magnetische veld van de aarde. Heet ook noorderlicht.
- poolnacht
- Periode in de winter in de poolstreken waarin de zon niet opkomt.
- poolstreken
- Het gebied ten noorden van 66½° N.B. en ten zuiden van 66½° Z.B.
- regenschaduw
- De lijzijde van een berg, waar de dalende en warme lucht weinig of geen neerslag brengt.
- reliëf
- Hoogteverschillen in het landschap.
- schiereiland
- Gebied dat aan drie kanten is omringd door de zee.
- sneeuwklimaat
- Koud klimaat met een gemiddelde temperatuur die het hele jaar lager is dan 0 °C.
- steppe
- Droog gebied waar net genoeg regen valt voor de groei van grassen en lage struikjes.
- stuwingsregen
- Neerslag die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte.
- subtropen
- Deel van de gematigde zone dat het dichtst bij de tropen ligt (sub = onder). Het is er minder warm dan in de tropen, maar warmer dan in de rest van de gematigde zone.
- taiga
- Zone in de gematigde luchtstreek waar naaldbomen groeien. In de winter is het er gemiddeld kouder dan -3 °C. Heet ook naaldbosgordel.
- temperatuurgradiënt
- Het aantal graden Celsius temperatuurverandering over 100 m hoogteverandering in de dampkring.
- toendra
- Boomloos gebied in de poolstreken met begroeiing van grassen, mossen en lage struikjes.
- toendraklimaat
- Koud klimaat met 's zomers een gemiddelde dagtemperatuur die lager is dan 10 °C.
- tropen
- Warme luchtstreek rond de evenaar tussen 23½° N.B. en 23½° Z.B.
- versterkt broeikaseffect
- Versterking van het 'natuurlijke' effect van CO2 door de sterke toename ervan in de lucht.
- verwoestijning
- Uitbreiding van een woestijn.
- zeeklimaat
- Klimaat met het hele jaar neerslag, 's zomers koel en 's winters niet heel koud (gemiddelde dagtemperatuur nooit lager dan -3 °C).
- zeespiegelstijging
- Stijging van de zeespiegel door het afsmelten van gletsjers en landijs en het uitzetten van het zeewater.
- zeestroom
- Stroming van zeewater die ontstaat doordat de wind langdurig uit één richting waait.
- zeewind
- Zie aanlandige wind.