begrippen 7.5 bio
Publiek
2keer geoefend
Woorden in deze lijst (12)
Origineel
- impulsgeleiding
- het geleiden van impulsen door het zenuwstelsel waardoor communicatie mogelijk is tussen zintuigcellen en neuronen, tussen neuronen onderling en tussen neuronen en spieren en klieren
- rustpotentiaal
- de negatieve elektrische spanning van -70 mV over het membraan bij alle zenuwcellen die geen impuls geleiden
- natrium-kaliumpompen
- transporteren natriumionen de cel uit en kaliumionen de cel in, dit kost veel atp
- ionenompen
- pompen in het celmembraan die actief ionen de cel in en uit transporteren
- depolarisatie
- door binding van neurotransmitter of door prikkeling wordt de membraanpotentiaal minder negatief
- actiepotentiaal
- impuls ontstaat wanneer de membraanpotentiaal afteemt tot -50mV (drempelwaarde)
- refractaire periode
- de herstelfase waarin er een nieuwe impuls niet of minder goed kan ontstaan
- prikkeldrempel
- de kleinste sterkte van een prikkel die een impuls veroorzaakt
- repolarisatie
- na de depolarisatie sluiten de natrium kanalen en openen de kalium kanalen, de kalium ionen stromen de cel uit
- sprongsgewijze impulsgeleiding
- de impuls springt van insnoering naar insnoering bij een uitloper (axon) met een myelineschede doordat bij alleen de insnoeringen ionentransport plaatsvindt
- exciterend
- bij een postsynaptische potentiaal vindt een kleine hyperpolarisatie van eht postsynaptische membraan die ontstaat doordat neurotransmitters zich binden aan de receptoreiwitten waardoor natrium kanalen en kalium kanalen opengaan exiteren = opweken
- inhiberend
- bij een postsynaptische potentiaal vindt een kleine hyperpolarisatie van het postsynaptische membraan plaats die ontstaat doordat neurotransmitters zich binden aan receptoreiwitten waardoor er porie-eiwiteen voor kalium ionen en of chloor ionen opengaan, maar de porie-eiwitten voor natrium ionen dichtblijven, inhiberen = remmen