Module 2: Vraag en aanbod - 4/5/6 VWO - hoofdstuk 2
Publiek
Woorden in deze lijst (40)
Origineel
- Afnemende meeropbrengsten
- situatie waarbij de extra inzet van een productiefactor een minder dan evenredige stijging van de productie tot gevolg heeft
- Afnemende schaalvoordelen
- situatie waarbij de stijging van de kosten gepaard gaat met een minder dan evenredige stijging van de productie
- Afzet
- totaal verkochte hoeveelheid
- Arbeid
- het menselijk handelen tijdens de productie
- Break-evenpunt
- productieomvang waarbij de totale opbrengst gelijk is aan de totale kosten
- Collectief aanbod
- hoeveelheid die door alle producenten samen wordt aangeboden bij een gegeven prijs
- Collectief producentensurplus
- zie producentensurplus
- Collectieve aanbodlijn
- lijn die aangeeft hoeveel er door alle producenten samen wordt aangeboden voor alle mogelijke prijzen
- Constante meeropbrengsten
- situatie waarbij de extra inzet van een productiefactor een evenredige stijging van de productie tot gevolg heeft
- Constante schaalvoordelen
- zie constante meeropbrengsten
- Exogeen
- niet beïnvloedbaar
- Financieel kapitaal
- financiële middelen
- Fysiek kapitaal
- fysieke middelen
- Gemiddelde opbrengst
- opbrengst per geproduceerde eenheid
- Gemiddelde totale kosten
- kosten per geproduceerde eenheid
- Individueel aanbod
- hoeveelheid die een individuele producent aanbiedt bij een gegeven prijs
- Individueel producentensurplus
- producentensurplus van een individuele aanbieder
- Individuele aanbodlijn
- lijn die het individuele aanbod weergeeft voor alle mogelijke prijzen
- Kapitaal
- fysieke en financiële middelen die in het productieproces worden gebruikt
- Kennis
- kunde en vaardigheden die in het productieproces worden gebruikt
- Locatie
- plaats waar geproduceerd wordt
- Marginale kosten
- toename van de totale kosten als gevolg van de productie van een extra eenheid product
- Marginale opbrengst
- opbrengst van de laatst verkochte eenheid
- Meeropbrengst
- extra opbrengst door de inzet van een extra eenheid productiefactor
- Omzet
- totale opbrengst
- Organisatie
- samenwerkingsverband tussen verschillende mensen gericht op een bepaalde productie
- Positieve meeropbrengsten
- situatie waarbij de extra inzet van een productiefactor een stijging van de productie tot gevolg heeft
- Producentensurplus
- optelsom voor ieder stuk van het verschil tussen wat een producent minimaal moet krijgen en de prijs
- Produceren
- transformatie van productiefactoren naar producten en/
of diensten - Productiefactor
- middel dat gebruikt wordt bij het productieproces
- Productiefunctie
- wiskundige relatie tussen de ingezette productiefactoren en de daarmee voortgebrachte productie
- Productiekosten
- kosten die gemaakt worden tijdens het productieproces
- Productieproces
- activiteiten die productie opleveren
- Toenemende meeropbrengsten
- situatie waarbij de extra inzet van een productiefactor een meer dan evenredige stijging van de productie tot gevolg heeft
- Toenemende schaalvoordelen
- situatie waarbij de stijging van de kosten gepaard gaat met een meer dan evenredige stijging van de productie
- Totale kosten
- som van vaste kosten en variabele kosten
- Totale opbrengst
- prijs van het product vermenigvuldigd met het aantal verkochte eenheden
- Variabele kosten
- kosten die variëren met de productieomvang
- Vaste kosten
- kosten die niet variëren met de productieomvang
- Winst
- verschil tussen totale opbrengsten en totale kosten