Begrippenlijst - Hoe kinderen taal leren
Publiek
Woorden in deze lijst (16)
Origineel
- Taalverwerving
- Het onbewuste proces waarbij een kind vanaf de geboorte de moedertaal leert van zijn ouders.
- Fonologische vaardigheden
- Het vermogen om verschillende klanken van een taal te ontdekken, te onderscheiden en te oefenen.
- Semantische vaardigheden
- Het vermogen om betekenis toe te kennen aan klanken en woorden.
- Syntactische vaardigheden
- Het vermogen om (grammaticale) regels toe te passen, zoals het aaneenrijgen van woorden in de juiste volgorde tot zinnen.
- Morfologische vaardigheden
- Het vermogen om werkwoorden en andere woordsoorten correct te leren verbuigen.
- Overgeneralisatie
- Het verschijnsel waarbij een kind nieuw ontdekte taalregels toepast op woorden waarbij die regels niet horen.
- Metalinguïstisch bewustzijn
- Het vermogen om bewust na te denken over de zin, de onzin en de regels van taal.
- Pragmatische vaardigheden
- Het vermogen om taal op een effectieve, begrijpelijke en gepaste manier te gebruiken, afgestemd op de context.
- Kritische periode
- De periode in de eerste levensjaren waarin een kind optimaal in staat is een taal op moedertaalniveau te verwerven.
- Behaviorisme
- De wetenschappelijke stroming die stelt dat het leren van taal een kwestie is van imitatie van de taalomgeving.
- Universele grammatica
- Het veronderstelde aangeboren vermogen van mensen tot taal, bestaande uit principes en parameters.
- Principes
- Gedeelde grammaticale structuren en regels die in alle talen voorkomen.
- Parameters
- De specifieke punten waarop talen grammaticaal van elkaar kunnen verschillen.
- Cognitieve taalkunde
- De wetenschappelijke stroming die stelt dat sociaal instinct en patroonherkenning de belangrijkste factoren zijn bij taalverwerving.
- Sociaal instinct
- Het unieke vermogen van mensen om de intenties van anderen te begrijpen.
- Wolfskinderen
- Kinderen die opgroeien met weinig tot geen menselijk contact en daardoor geen taalaanbod hebben gekregen.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–