Frans - Nederlands woordenschatlijst

Publiek
3
Woorden in deze lijst (42)
Origineel
- occupé
- bezet
- Fermé
- Gesloten
- Ouvert
- open
- je comprends
- ik begrijp
- recharger
- opladen
- le produit
- het product
- j’ai perdu
- ik heb verloren(kwijt zijn)
- Demain
- morgen
- poster
- posten(een chat posten)
- penser
- denken
- Aujourd’hui
- vandaag
- Maintenant
- nu
- embêtant
- vervelend
- l’application
- de app
- tomber
- vallen
- lundi
- maandag
- mardi
- dinsdag
- mercredi
- woensdag
- jeudi
- donderdag
- vendredi
- vrijdag
- samedi
- zaterdag
- dimanche
- zondag
- Le livre
- Het boek
- L’ordinateur
- De computer
- Le cahier
- Het schrift
- trop tard
- te laat
- Le portable
- De mobiel
- Où est ............
- Waar is ......?
- la gare
- het station
- en Hollande
- in/
naar Nederland - en France
- in/
naar Frankrijk - arriver
- aankomen
- en train
- met de trein
- en bateau
- met de boot
- en voiture
- met de auto
- en vélo
- met de fiets
- à pied
- lopend
- Je fais
- Ik doe/
ik maak - Tu fais
- Jij doet/
maakt - Il fait /
on fait - Hij doet, maakt /
wij maken - Qu’est-ce que tu fais comme sport ?
- Wat doe jij voor sport?
- Je fais du foot/
du hockey/ du kickboxing/ de la natation - Ik voetbal/
hockey/ kickbox/ zwem