4. Ongelijkheid
Publiek
Woorden in deze lijst (37)
Origineel
- armoedegrens
- geeft aan wat je per dag minimaal nodig hebt voor de basisbehoeften
- bbp/
hoofd - het bruto binnenlands product is alles wat er in een land verdiend wordt, gedeeld door het aantal inwoners van het land (ook: bnp/
inwoner) - beroepsbevolking
- alle mensen die tegen betaling werken plus de werklozen
- centrumlanden
- de groep landen met de hoogste welvaart, ook wel het ‘Westen’ genoemd
- middenklasse
- groep mensen met een inkomen tussen laag en hoog in
- periferie
- de groep landen met de laagste welvaart, ook wel de ontwikkelingslanden genoemd
- productiviteit
- hoeveel er geproduceerd wordt in een bepaalde tijd
- semiperiferie
- landen waar de welvaart hoger is dan in arme landen, maar lager dan in welvarende landen
- welvaart
- de rijkdom van een land op basis van wat er verdiend wordt
- alfabetiseringsgraad
- een percentage dat aangeeft hoeveel mensen ouder dan 15 jaar kunnen lezen en schrijven
- formele sector
- het officiële deel van de economie. De werkzaamheden in de formele sector vind je terug in de officieuze statistieken van de overheid.
- HDI (welzijnsindex)
- Human Development Index – een cijfer dat aangeeft hoe de levensomstandigheden in een land zijn.
- informele sector
- het niet-officiële deel van de economie. De werkzaamheden in de informele sector vind je niet terug in de officieuze statistieken van de overheid.
- koopkracht
- hoeveel je in een land kunt kopen met een dollar of een euro
- levensverwachting
- geeft aan hoe oud mensen bij geboorte naar verwachting gemiddeld zullen worden
- welzijn
- de rijkdom van een land gemeten op basis van de levensomstandigheden
- brp per inwoner
- het bruto regionaal product is alles wat er in een jaar in een regio verdiend wordt, gedeeld door het aantal inwoners van de regio
- ruimtelijke ongelijkheid
- verschillen in inkomen tussen gebieden in een land
- sloppenwijken
- wijken waarin bewoners zelf woningen bouwen, haast zonder geld en zonder toestemming van de overheid.
- sociale ongelijkheid
- verschillen in inkomen tussen groepen mensen in een land
- eindproduct
- product dat helemaal af is en zo verkocht kan worden (bijvoorbeeld een kast)
- globalisering
- proces waarbij gebieden wereldwijd steeds meer met elkaar verbonden raken
- grondstoffen
- nog niet bewerkte goederen (bijvoorbeeld een boomstam)
- halffabricaat
- bewerkte grondstoffen (bijvoorbeeld een houten plank); nog niet het eindproduct
- lagelonendlanden
- landen in de (semi)periferie waar de lonen veel lager zijn dan in de centrumlanden, aantrekkelijk voor arbeidsintensieve bedrijven
- mno (multinationale onderneming) of multinational
- groot bedrijf dat in meerdere landen fabrieken, kantoren en/
of vestigingen heeft - achterland
- een gebied dat voor de aan- en afvoer van goederen afhankelijk is van een haven
- handelsbalans
- overzicht van de waarde van goederen die in- en uitgevoerd worden
- infrastructuur
- alles wat nodig is voor de verplaatsing van personen, goederen en dataverkeer, zoals wegen, havens en glasvezel
- logistiek
- het plannen, organiseren en uitvoeren van goederen van A naar B
- mainport
- haven of vliegveld met een belangrijke rol in het internationale vervoer van goederen of personen
- vestigingsplaatsfactoren
- redenen voor een bedrijf om zich op een bepaalde plaats te vestigen
- Gini-coëfficiënt
- een maat voor sociale ongelijkheid: hoe hoger het getal, hoe hoger de ongelijkheid
- relatieve armoede
- op de rand van het bestaansminimum leven. Mensen zijn relatief arm als ze minder te besteden hebben dan ‘de gemiddelde burger’.
- agglomeratievoordelen
- voordelen die bedrijven en inwoners hebben van de aanwezigheid van andere bedrijven, voorzieningen en werk
- kennis economie
- een economie waarin kennis, opleiding en moderne technologie een zeer belangrijke rol spelen
- segregatie
- als bevolkingsgroepen op basis van een of meer gedeelde kenmerken dicht bij elkaar wonen, gescheiden van andere bevolkingsgroepen