Schuifsymmetrie is een belangrijk begrip in de wiskunde. Het houdt in dat figuren dezelfde vorm en grootte behouden wanneer ze langs een rechte lijn worden verplaatst. Evenwijdige lijnen spelen hierbij een cruciale rol. Evenwijdige lijnen hebben dezelfde richting en raken elkaar nooit, hoe ver je ze ook doortrekt (zie onderstaand figuur).

Hoekpunt en hoekberekening
Wanneer twee lijnen elkaar snijden, ontstaat er een hoekpunt, bijvoorbeeld hoekpunt A. Het is soms lastig om precies aan te geven over welke hoek je het hebt. Daarom gebruiken we kleine cijfertjes om de verschillende delen van de hoek aan te duiden, zoals hoek A1, hoek A2, hoek A3 en hoek A4.

Hoeken en evenwijdige lijnen
Stel dat je een lijn naar beneden schuift. De verplaatste lijn heeft nog steeds dezelfde richting als de oorspronkelijke lijn. Dit betekent dat de hoeken die door deze evenwijdige lijnen worden gevormd, ook hetzelfde zijn. Bijvoorbeeld, hoek A2 en hoek B2 zijn dan precies even groot.

Overstaande hoeken
Als je de onderste lijn een beetje draait, heb je geen schuifsymmetrie meer omdat de lijnen niet meer evenwijdig zijn. Toch bestaan er nog steeds overstaande hoeken. Dat zijn de hoeken die recht tegenover elkaar liggen bij een hoekpunt. Bijvoorbeeld, hoek A2 is hetzelfde als hoek A4, en hoek B2 is hetzelfde als hoek B4.
Andere voorbeelden van overstaande hoeken zijn hoek A1 en hoek A3, en hoek B1 en hoek B3.





