Bereken de omtrek van een rechthoek van 30 cm bij 20 cm.
Omtrek en oppervlakte zijn basisconcepten in de meetkunde. Wanneer we praten over de omtrek, denk dan aan het lopen langs de randen van een figuur, zoals een rechthoek. Stel je voor dat je een touw neemt en die helemaal rond de figuur legt; de lengte van dat touw vertegenwoordigt de omtrek.
Aan de andere kant, als we het hebben over oppervlakte, moet je denken aan het vlak binnen die randen. Het is alsof je elk klein vierkantje binnen de figuur telt om te zien hoeveel ruimte er binnen die grenzen is.
Voorbeeld
Laten we zeggen dat we een rechthoek hebben die 3 cm breed en 5 cm hoog is.
Omtrek berekenen: Simpelweg alle zijden bij elkaar optellen (3 cm + 5 cm + 3 cm + 5 cm), wat uitkomt op 16 cm.
Oppervlakte berekenen: De breedte vermenigvuldigen met de hoogte (3 cm · 5 cm), wat 15 vierkante cm (15 cm²) oplevert.
Berekeningen in de praktijk
Een complexe vorm
Als je een onregelmatige vorm hebt, kun je de omtrek nog steeds berekenen door alle zijden bij elkaar op te tellen. Voor de oppervlakte kan het helpen om de figuur op te delen in kleinere rechthoeken (of vierkanten), de oppervlakte van elk te berekenen en deze vervolgens bij elkaar op te tellen. In onderstaand figuur kan je bij het berekenen van de oppervlakte de figuur het best opdelen in kleinere stukken.

Als er verschillende eenheden worden gebruikt:
Soms moet je werken met centimeters en decimeters in één figuur. Je moet ze eerst omrekenen naar dezelfde eenheid. Onthoud de regel: als je van decimeters naar centimeters gaat, voeg je nullen toe (10 cm in een dm).













