Vul <, > of = in.
Leerdoelen
•Je kunt de tekens voor ‘groter dan’ en 'kleiner dan' op een juiste manier toepassen.
Is gelijk aan (=)
Het eerste teken dat we bespreken is het is-gelijk-aan-teken. Dit teken gebruik je als twee dingen precies hetzelfde zijn. Het ziet eruit als twee streepjes die even groot beginnen en eindigen, zoals dit: =.
Voorbeeld: 2 + 3 = 5. Dit betekent dat 2 plus 3 hetzelfde is als 5. Je kunt het ook omdraaien: 5 = 2 + 3. Beide kanten zijn gelijk.
Is kleiner dan (<)
Het is-kleiner-dan-teken gebruik je als het eerste getal kleiner is dan het tweede getal. Het ziet eruit als een pijl die naar links wijst: <.
Voorbeeld: 4 < 5. Dit betekent dat 4 kleiner is dan 5.
Een handig ezelsbruggetje is om het teken te zien als een krokodillenbek die altijd het grootste wil opeten. De bek wijst naar het kleinste getal.
Voorbeeld: 2 + 2 < 5. Dit klopt, want 2 plus 2 is 4, en 4 is kleiner dan 5.
Is groter dan (>)
Het is-groter-dan-teken gebruik je als het eerste getal groter is dan het tweede getal. Het ziet eruit als een pijl die naar rechts wijst: >.
Voorbeeld: 8 > 2. Dit betekent dat 8 groter is dan 2.
Net als bij het is-kleiner-dan-teken kun je het zien als een krokodillenbek, maar dan omgekeerd.
Voorbeeld: 5 + 3 > 2. Dit klopt, want 5 plus 3 is 8, en 8 is groter dan 2.
Negatieve getallen
Negatieve getallen kunnen soms verwarrend zijn. Hoe verder je naar links gaat op de getallenlijn, hoe kleiner het getal wordt, zelfs als het getal zelf groter lijkt.
Voorbeeld: -15 < 1. Hoewel -15 groter klinkt, is het kleiner omdat het verder naar links op de getallenlijn staat.
Voorbeeld: -8 < -7. Hier is -8 kleiner dan -7, omdat -8 verder naar links staat op de getallenlijn.













