Er wordt veel onderzoek gedaan naar de viscositeit van vloeistoffen.
De viscositeit van een vloeistof is een getal dat aangeeft hoe stroperig die vloeistof is:
hoe groter de viscositeit, hoe stroperiger die vloeistof.

Suiker kun je in water oplossen. De concentratie suiker bepaalt de viscositeit van de vloeistof die zo ontstaat. Aan het begin van de twintigste eeuw is het
volgende theoretische verband afgeleid tussen de concentratie suiker en de viscositeit:
V=\frac{1+0,5 C}{(1-C)^{4}}
Hierin is$Vde viscositeit en$Cde concentratie suiker.
Hierbij wordt met een concentratie van bijvoorbeeld$C=0{,}3bedoeld dat het volume van de suiker$30 \%van het totale volume van de vloeistof is.
