Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat een voornaamwoord is.
•Je kent de verschillende categorieën voornaamwoorden.
•Je kunt de verschillende categorieën voornaamwoorden herkennen en benoemen.
Categorieën voornaamwoorden
Er zijn acht belangrijke categorieën voornaamwoorden. Hier zijn ze:
1.Aanwijzend voornaamwoord
2.Betrekkelijk voornaamwoord
3.Bezittelijk voornaamwoord
4.Onbepaald voornaamwoord
5.Persoonlijk voornaamwoord
6.Vragend voornaamwoord
7.Wederkerend voornaamwoord
8.Wederkerig voornaamwoord
Laten we eens wat dieper ingaan op enkele van deze categorieën.
Aanwijzend voornaamwoord
Een aanwijzend voornaamwoord wijst iets nadrukkelijk aan. Aanwijzend voornaamwoorden zijn: deze, die, dit, dat, zulke, zo'n, dergelijke, zelfde, en hetzelfde.
Voorbeeldzin:
•Dat kabinet moet nodig vervangen worden.
•En dergelijke nonsens kun je niet blijven verkopen.
Betrekkelijk voornaamwoord
Het betrekkelijk voornaamwoord verbindt twee zinnen en wijst terug naar een woord dat eerder is genoemd, het zogenaamde antecedent. Betrekkelijke voornaamwoorden zijn: die, dat, (van) wie, waar(van) en wat
Soorten:
•Die: Verwijst naar een de-woord. (Bijv: de vrouw die daar zwemt, is oud.)
•Dat: Verwijst naar het-woorden. (Bijv: Het boek dat ik lees, is veel te dik.)
•Wie: Verwijst naar personen. (Bijv: Ashraf, bij wie ik lessen volgde, is verhuisd.)
•Waar(van): Verwijst naar dieren of dingen. (Bijv: De kat, waarvan ik hield, is helaas gestorven.)
•Wat: Kan verwijzen naar de overtreffende trap, een onbepaald voornaamwoord, of een hele zin. (Bijv. Dit is het lelijkste wat ik ooit zag.)
Ook bestaat er een betrekkelijk voornaamwoord met een ingesloten antecedent, waarbij het antecedent niet duidelijk in de zin staat, maar impliciet in het betrekkelijk voornaamwoord zit. Bijvoorbeeld: 'Wie niet luisteren wil, moet voelen'.
Bezittelijk voornaamwoord
Een bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is en staat altijd voor het denkbeeldige zelfstandig naamwoord. Bezittelijke voornaamwoorden zijn: mijn/m'n, jouw/je, uw, zijn/z'n, haar/d'r, ons/onze, jullie, hun
Voorbeeldzin:
•Heb je mijn nieuwe fiets al gezien?
•Is dat mijn glas of het zijne?
Onbepaalde voornaamwoorden
Het onbepaalde voornaamwoord verwijst naar iets niet specifieks. Deze voornaamwoorden zijn onduidelijk over wie of wat er precies bedoeld wordt. Onbepaalde voornaamwoorden zijn: iemand, niemand, iedereen, men, menigeen, het, (zo)iets, niets, alles, elk(e), ieder(e), menig(e), wat, ene, (een) zekere, een of ander(e)
Voorbeeldzin:
•Iedereen is gek geworden.
•Dit is alles wat er was.
•Menigeen verslikte zich in de strikvraag.
Persoonlijke voornaamwoorden
Een persoonlijk voornaamwoord komt veel voor en verwijst meestal naar een levend wezen of soms een ding.
Als het onderwerp van de zin is, gebruiken we: ik, jij/je, u, hij, zij/ze, het/'t, wij/we, jullie
Als het geen onderwerp van de zin is, gebruiken we: mij/me, jou/je, u, hem/'m, haar/ze/'r, het/'t, ons, jullie, u, hen/hun/ze
Voorbeeldzin:
•Wij gaan naar het theater.
•Het theater heeft ons hartelijk ontvangen
•Hij heeft het helemaal gehad.
Vragende voornaamwoorden
Het vragend voornaamwoord staat vaak aan het begin van een vraag of zin gemaakt uit een vraag. Vragende voornaamwoorden zijn: wie, wat, welk(e), wat voor (een). Let op: wie en wat zijn soms ook betrekkelijke voornaamwoorden.
Voorbeeldzin:
•Welke mening heb jij over het klimaat?
•Hallo, wie is daar?
Wederkerende voornaamwoorden
Het wederkerend voornaamwoord komt voor bij wederkerende werkwoorden zoals 'zich ergeren' en verwijst terug naar het onderwerp van de zin. Wederkerende voornaamwoorden zijn: me, mij, ons, je, u, zich. Let op: aan alle voorbeelden kan ook 'zelf' worden toegevoegd.
Voorbeeldzin:
•Ik verdedig me met hand en tand.
•Hij verslaapt zich zelden.
•We hebben onszelf een slechte dienst bewezen.
Wederkerige voornaamwoorden
Dit type voornaamwoord drukt uit dat twee personen samen iets doen. Wederkerige voornaamwoorden zijn: elkaar, elkander, mekaar. In moderne taal komt eigenlijk alleen 'elkaar' vaak voor.
Voorbeeldzin:
•Matthijs en Diederik kussen elkaar.




