Leerdoelen
•Je kunt de trappen van vergelijking benoemen.
•Je kunt de trappen van vergelijking correct gebruiken.
•Je kunt als en dan uit elkaar houden en ze correct gebruiken.
Wat zijn de trappen van vergelijking?
Er zijn drie trappen van vergelijking:
1.Stellende trap: Hoog
2.Vergrotende trap (-er): Hoger
3.Overtreffende trap (-st(e)): Hoogst(e)
Voorbeelden:
•Lief, liever, liefst
•Dik, dikker, dikst
Uitzonderingen in de trappen van vergelijking
Sommige woorden hebben onregelmatige trappen van vergelijking of speciale regels:
Woorden die eindigen op "-r" krijgen “-der”:
Stoer → Stoerder
Woorden die eindigen op "-s" krijgen “-t”:
Wijs → Wijst
Woorden die eindigen op "-st" krijgen “meest” ervoor:
Woest → Meest woest (om woestst te vermijden)
Onregelmatige trappen van vergelijking:
Goed → Beter → Best
Graag → Liever → Liefst
Veel → Meer → Meest
Weinig → Minder → Minst
Gebruik van “als” en “dan”
Als gebruik je na de stellende trap.
Dan gebruik je na de vergrotende trap.
Voorbeelden:
•Peter is even klein als Timo (stellende trap)
•Naomi is sterker dan Rachelle (vergrotende trap)
Bij zinnen met persoonlijk voornaamwoorden kan het lastig zijn om te kiezen tussen hij, hem, zij, haar, etc.
Voorbeeld:
•“Peter is even klein als hij.” of “Naomi is sterker dan zij.”
Om te weten welk persoonlijk voornaamwoord te gebruiken, kun je de zin langer maken:
•“Peter is even klein als hij is.” of “Naomi is sterker dan zij is.”
Door de zin langer te maken en een persoonsvorm toe te voegen, hoor je of je "hij" of "hem" moet gebruiken.