Leg het verschil uit tussen een oorzakelijk verband en een redengevend verband. Geef een voorbeeldzin voor elk type verband en licht toe waarom zij in hun specifieke context passen
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat een tekstverband is.
•Je kunt de belangrijkste tekstverbanden opnoemen.
•Je kunt uitleggen wat een signaalwoord is.
•Je kunt benoemen welke signaalwoorden bij welke tekstverbanden horen.
Wat zijn tekstverbanden en signaalwoorden?
Tekstverbanden geven aan hoe zinnen, woorden of alinea's zich tot elkaar verhouden. Ze brengen samenhang aan in een tekst. Signaalwoorden zijn aanwijzingen voor een bepaald tekstverband en zorgen voor structuur, ordening of opbouw in een tekst.
Voorbeeld van gebruik van signaalwoorden
Kijk eerst naar deze zinnen:
•George gaat naar het strand. Hij heeft vakantie. Hij pakt zijn spullen en hij vergeet een zwembroek.
Nu met signaalwoorden:
•George gaat naar het strand, want hij heeft vakantie. Hij pakt zijn spullen, maar vergeet een zwembroek.
Belangrijkste tekstverbanden en bijbehorende signaalwoorden
Chronologisch verband
Een chronologisch verband geeft een tijdsvolgorde aan.
Signaalwoorden: eerst, daarna, toen, vroeger, nu, later (let op: ook data en jaartallen).
Voorbeeld: Eerst zat ik op voetbal en later zat ik op hockey.
Concluderend verband
Een concluderend verband trekt een conclusie uit eerdere informatie.
Signaalwoorden: dus, daarom, kortom, concluderend, al met al.
Voorbeeld: Al met al kunnen we stellen dat vroegtijdige selectie geen goed idee is.
Doel-middel verband
Een doel-middel verband laat zien welk middel wordt gebruikt om een doel te bereiken.
Signaalwoorden: zodat, opdat, met behulp van.
Voorbeeld: Ik train keihard zodat ik fit aan de start kan verschijnen.
Oorzakelijk verband
Oorzakelijk verband laat zien hoe iets gebeurt, buiten iemands invloedssfeer.
Signaalwoorden: doordat, daardoor, als gevolg van, waardoor.
Voorbeeld: Ik ben te laat doordat de brug open stond.
Opsommend verband
Een opsommend verband noemt verschillende zaken achter elkaar.
Signaalwoorden: ten eerste, daarnaast, ook, tevens, bovendien.
Voorbeeld: Ten eerste ben ik te moe om mee te gaan. Daarnaast vind ik het koud.
Redengevend verband
Een redengevend verband laat zien waarom iets gebeurt, binnen iemands invloedssfeer.
Signaalwoorden: daarom, omdat, want, dankzij.
Voorbeeld: Ik ben te laat omdat ik mijn wekker niet heb gezet.
Samenvattend verband
Een samenvattend verband geeft informatie verkort weer.
Signaalwoorden: kortom, samengevat, met andere woorden, al met al.
Voorbeeld: Kortom, de ideale schooldag bestaat niet.
Tegenstellend verband
Een tegenstellend verband zet zaken tegenover elkaar.
Signaalwoorden: maar, echter, toch, desondanks, aan de ene kant.
Voorbeeld: Ik vind Zeeland een heerlijk fietsgebied, maar de wind is verraderlijk hard.
Toegevend verband
Een toegevend verband geeft een andere kant van de zaak aan.
Signaalwoorden: hoewel, ook al, ofschoon.
Voorbeeld: Ik leerde de hele nacht door, hoewel ik eigenlijk te moe was.
Toelichtend verband
Een toelichtend verband geeft extra informatie of een voorbeeld.
Signaalwoorden: bijvoorbeeld, zoals, neem nou, denk aan.
Voorbeeld: Ik vind taalvakken zoals Nederlands erg leuk.
Vergelijkend verband
Een vergelijkend verband laat een verschil of overeenkomst zien.
Signaalwoorden: in vergelijking met, net als, evenals, zoals, vergeleken met.
Voorbeeld: Nederland is, net als België, onderdeel van de Benelux.
Voorwaardelijk verband
Voorwaardelijk verband laat zien wat er nodig is om iets te laten gebeuren.
Signaalwoorden: als, indien, tenzij, mits.
Voorbeeld: Ik ga volgend jaar studeren, tenzij ik zak voor het eindexamen.













