Leerdoelen
•Je kunt verschillende schrijftips toepassen voordat je begint met een schrijfopdracht.
Waarom schrijven en koken op elkaar lijken
Variatie en verbinding zijn belangrijke onderdelen van goed schrijven. Een schrijver gebruikt verschillende woorden en zinsstructuren om een tekst interessant en duidelijk te houden. Dit kun je vergelijken met koken: een kok gebruikt verschillende ingrediënten om een gerecht smaakvol te maken. Wanneer steeds dezelfde ingrediënten worden gebruikt, wordt een gerecht eentonig. Dat geldt ook voor teksten waarin steeds dezelfde woorden of zinnen worden herhaald.
Variëren in je tekst
Er zijn verschillende manieren om variatie aan te brengen in je schrijfopdrachten. Drie manieren zijn hierbij het belangrijkst om je tekst afwisselender te maken.
Afwisselen in zinsdeelvolgorde
Veel Nederlandse zinnen zijn opgebouwd in de zogenaamde OPA-volgorde: Onderwerp - Persoonsvorm - Andere zinsdelen. Een voorbeeld:
•Het goede antwoord lag op het puntje van zijn tong. (Onderwerp: het goede antwoord, Persoonsvorm: lag, Andere zinsdelen: op het puntje van zijn tong.)
Als elke zin in jouw tekst zo begint, wordt het al snel monotoon. Probeer daarom af en toe de zinsdeelvolgorde te veranderen. Je kunt bijvoorbeeld beginnen met de andere zinsdelen, dan de persoonsvorm en dan pas het onderwerp. Zie het volgende voorbeeld:
•Op het uiterste puntje van zijn tong lag het goede antwoord. (Andere zinsdelen: op het uiterste puntje van zijn tong, Persoonsvorm: lag, Onderwerp: het goede antwoord.)
Afwisselen met woorden
Een andere manier om je tekst spannender te maken, is door te variëren in je woordkeuze. Voorkom dat je steeds hetzelfde woord herhaalt. Bijvoorbeeld in deze zin:
•Nadat de glimmende auto wat moeizaam was gestart, reed de auto uiteindelijk toch bepakt en bezakt tussen de andere auto's in colonne naar het festival.
Het woord 'auto' wordt hier drie keer herhaald. Dat leest niet fijn en maakt de zin minder levendig. Je kunt dit veel beter maken door synoniemen te gebruiken. Dit zijn woorden die (ongeveer) hetzelfde betekenen. Lees deze verbeterde zin:
•Nadat de glimmende bak wat moeizaam was gestart, reed de wagen uiteindelijk toch bepakt en bezakt tussen de andere gemotoriseerde vierwielers in colonne naar het festival.
Afwisselen tussen actieve en passieve zinnen
Je kunt ook variëren door zowel actieve zinnen als passieve zinnen te gebruiken. Het verschil zit in wie de handeling uitvoert:
•Actieve zin: in een actieve zin is het onderwerp degene die de handeling uitvoert.
•Voorbeeld: de kleurige bloemen staan al dagen in bloei. (De bloemen zijn het onderwerp en zij voeren de handeling 'in bloei staan' uit.)
•Passieve zin: in een passieve zin is het onderwerp niet degene die de handeling uitvoert. De handeling wordt door iemand anders (of iets anders) gedaan. Je ziet vaak het woordje 'door' in passieve zinnen.
•Voorbeeld: door mijn oma zijn de bloemen geplant. (De bloemen zijn het onderwerp, maar mijn oma heeft ze geplant. De bloemen 'ondergaan' de actie.)
Gebruik beide soorten zinnen in je tekst, maar let op: actieve zinnen geven je tekst meer 'vaart' en maken hem vaak directer en krachtiger. Kies daarom altijd voor méér actieve zinnen dan passieve zinnen.
Verbinding in je tekst
Naast variatie is verbinding de tweede belangrijke pijler van goed schrijven. Het is belangrijk dat je woorden en zinnen op een logische en duidelijke manier met elkaar verbonden zijn. Dit maakt de tekst duidelijker en beter begrijpelijk voor de lezer. Hiervoor gebruiken we twee handige hulpmiddelen: signaalwoorden en verwijswoorden.
Signaalwoorden
Signaalwoorden geven de structuur van een tekst aan. Ze maken duidelijk welk verband er bestaat tussen zinnen en alinea’s en ondersteunen zo het tekstbegrip.
Hier zijn een aantal functies van signaalwoorden, met voorbeelden:
•Opsommen: je telt dingen op.
•Theo streek zijn overhemd glad en zijn schoenen werden gepoetst.
•Andere voorbeelden: daarnaast, bovendien, ten eerste, vervolgens.
•Tegenstelling: je geeft aan dat er iets tegenover elkaar staat.
•Maya had een gat in de dag geslapen, maar ze was nog steeds moe.
•Andere voorbeelden van tegenstellingen zijn: echter, toch, hoewel en daarentegen.
•Vergelijken: je laat zien dat twee zaken op elkaar lijken.
•Eva had een drukke dag, net als Wouter.
•Andere voorbeelden zijn: zoals, evenals en hetzelfde als.
•Voorbeelden geven: je verduidelijkt iets met een voorbeeld.
•Er komen geweldige artiesten op dat festival, zoals Styx en Anthony Schmiering.
•Andere voorbeelden: bijvoorbeeld, denk aan, onder andere.
•Reden of argument geven: je legt uit waarom iets zo is.
•Juni is mijn favoriete maand, omdat ik dan jarig ben.
•Andere voorbeelden: doordat, want, immers.
•Tijdsverloop: je geeft aan wanneer iets gebeurt.
•Voordat ik verliefd werd op hem, zagen we elkaar op dansles.
•Andere voorbeelden: terwijl, nadat, vervolgens, daarna, vroeger, later.
•Samenvatten of conclusie trekken: je rondt iets af of geeft een conclusie.
•Kortom, signaalwoorden helpen de lezer de structuur van een tekst te begrijpen.
•Andere voorbeelden van signaalwoorden zijn: dus, al met al en concluderend.
Verwijswoorden
Verwijswoorden zijn woorden die verwijzen naar iets wat al eerder in de tekst is genoemd. Hiermee voorkom je herhaling en houd je je tekst prettig leesbaar. Ze zorgen niet alleen voor variatie, maar ook voor een sterke verbinding tussen zinnen.
Kijk maar naar dit voorbeeld:
•Dave van Manen eet graag appels. Dave van Manen houdt vooral van zoetere appels.
De herhaling van 'Dave van Manen' maakt de zinnen minder vlot. Met een verwijswoord kan het veel beter:
•Dave van Manen eet graag appels. Hij houdt vooral van zoetere appels.
Het woord 'hij' verwijst duidelijk naar Dave van Manen. Zo creëer je variatie en verbind je de zinnen tegelijkertijd. Je hebt de informatie uit de eerste zin nodig om de tweede zin te begrijpen.
Ook kun je verwijzen naar objecten:
•Hij houdt vooral van die zoete. (Het woord 'die' verwijst hier naar de appels.)
Door verwijswoorden zoals hij, zij, het, die, dat, deze of dit te gebruiken, maak je je tekst niet alleen afwisselender en beter verbonden, maar gebruik je ook minder woorden om hetzelfde te vertellen.













