Benoem de functie van de afzonderlijke zinnen in alinea 11, bezien in het licht van tekst 2.
Neem daartoe de nummers uit onderstaand schema over en noteer per nummer de functie van de zin.
Maak een keuze uit de volgende functies: aanbeveling, constatering, conclusie, nuancering, oplossing, verslag van onderzoek, voorwaarde, samenvatting en uitsmijter. Je mag termen meer dan eens gebruiken.

