Les over De brug
Het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst
De tekststructuur
Tekstdoelen
Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak
Persoonsvorm - + 5 video's

De brug: alles over lezen, woordenschat en grammatica
Leerdoelen
•Je kunt het onderwerp, de alinea's en de driedelige opbouw (inleiding, middenstuk, slot) van een tekst herkennen en benoemen.
•Je kunt de leesstrategie zoekend lezen toepassen om snel specifieke informatie in een tekst te vinden.
•Je kunt het doel van een tekst en de functie van bijbehorende afbeeldingen bepalen.
•Je kunt de betekenis van onbekende woorden achterhalen met behulp van synoniemen, omschrijvingen, voorbeelden, tegenstellingen, bekende woorddelen of een woordenboek.
•Je kunt werkwoorden, persoonsvormen en het onderwerp in een zin herkennen en ontleden.
•Je kunt hoofdletters, leestekens, klankregels en meervoudsvormen correct spellen.
•Je kunt de persoonsvorm in de tegenwoordige en verleden tijd, evenals niet-persoonsvormen, foutloos spellen.
•Je kunt de juiste verwijswoorden gebruiken en het verschil tussen kennen/kunnen en liggen/leggen correct toepassen.
Leesvaardigheid: Tekstopbouw en doelen
Elke tekst die je leest heeft een bepaalde structuur en is geschreven met een specifiek doel. Om een tekst goed te begrijpen, is het belangrijk dat je deze onderdelen kunt herkennen.
Het onderwerp en alinea's
Het onderwerp van een tekst is waar de tekst in het kort over gaat. Je kunt het onderwerp meestal in één of een paar woorden omschrijven. Om het onderwerp snel te vinden, hoef je de tekst vaak alleen maar te verkennen: bekijk de titel, de tussenkopjes, de afbeeldingen en lees de eerste alinea (de inleiding) van de tekst. Een tekst is bijna altijd verdeeld in alinea's. Een nieuwe alinea begint steeds op een nieuwe regel. De belangrijkste informatie van een alinea staat meestal in de eerste zin. Soms staat er een tussenkopje boven een alinea. Dit tussenkopje geeft het deelonderwerp aan, oftewel het specifieke deel van het onderwerp waar die alinea over gaat.
Zoekend lezen
Als je niet de hele tekst wilt lezen, maar alleen snel iets wilt opzoeken, gebruik je de leesstrategie zoekend lezen. Je kijkt dan heel gericht naar tussenkopjes, anders gedrukte woorden (zoals schuingedrukte of vette woorden) en opvallende tekens zoals getallen, afkortingen (bijvoorbeeld km) of symbolen (zoals €).
Inleiding, middenstuk en slot
Veel teksten zijn opgebouwd uit drie vaste delen:
•De inleiding: Dit is het eerste deel van de tekst en bestaat meestal uit één alinea. Hierin maak je kennis met het onderwerp, vaak door middel van een voorbeeld of een kort, grappig verhaaltje.
•Het middenstuk: Dit is het grootste gedeelte van de tekst. Hierin staat de meeste informatie verdeeld over verschillende alinea's.
•Het slot: Dit is de laatste alinea van de tekst. In het slot wordt de belangrijkste informatie uit de tekst vaak kort herhaald of samengevat.
Het doel van een tekst
Elke schrijver heeft een bepaald doel voor ogen met een tekst. Om dit doel te bereiken, kiest de schrijver een passende tekstsoort:
•Informatie geven: De schrijver wil dat je iets te weten komt of iets leert (bijvoorbeeld in een nieuwsbericht of studietekst).
•Iets laten doen (activeren): De schrijver wil je overhalen om actie te ondernemen (bijvoorbeeld in een reclametekst of uitnodiging).
•Een mening geven: De schrijver deelt zijn standpunt over iets (bijvoorbeeld in een bespreking van een app of film).
•Amuseren (vermaken): De schrijver wil je een plezierige tijd bezorgen (bijvoorbeeld met een strip of een verhaal).
Bij een tekst staan ook vaak afbeeldingen. Een afbeelding kan ervoor zorgen dat je sneller begrijpt waar de tekst over gaat, de tekst visueel aantrekkelijker maken of extra informatie toevoegen die niet in de tekst staat.
Woordenschat: Betekenis van onbekende woorden achterhalen
Als je tijdens het lezen een woord tegenkomt dat je niet kent, hoef je niet altijd meteen een woordenboek te pakken. Je kunt de betekenis vaak zelf afleiden uit de tekst met de volgende strategieën:
•Synoniemen zoeken: Zoek naar woorden in de tekst die (bijna) hetzelfde betekenen. Zo is afrekenen een synoniem van betalen.
•Een betekenisomschrijving zoeken: Soms legt de schrijver de betekenis van een moeilijk woord direct in de tekst uit.
•Voorbeelden gebruiken: Soms geeft de tekst voorbeelden van het moeilijke woord. Deze voorbeelden staan vaak achter woorden zoals zoals of bijvoorbeeld, of ze staan tussen haakjes of na een dubbele punt.
•Een tegenstelling zoeken: Een tegenstelling is het tegenovergestelde van een woord. Als je de tegenstelling wel kent, kun je de betekenis van het moeilijke woord raden (bijvoorbeeld vermogend tegenover arm betekent dat vermogend rijk is).
•Een bekend woorddeel zoeken: Kijk of je een deel van het woord al kent. Dit kan bij:
•Samenstellingen: Woorden die bestaan uit twee losse woorden (bijvoorbeeld lichaamsdeel is een deel van het lichaam).
•Voorvoegsels: Woorden die beginnen met een vast deel, zoals on- (betekent 'niet', zoals in ontevreden) of her- (betekent 'opnieuw', zoals in herbouwen).
•Achtervoegsels: Woorden die eindigen op een vast deel, zoals -loos (betekent 'zonder', zoals in doelloos) of -vol (betekent 'met veel', zoals in gevoelvol).
Als deze strategieën niet werken, kun je het woord opzoeken in een woordenboek. Zoek hierbij altijd naar de basisvorm van het woord: het enkelvoud bij zelfstandige naamwoorden (zoek frambozen bij framboos), het hele werkwoord bij werkwoordsvormen (zoek omgewaaid bij omwaaien) of de kortste vorm bij bijvoeglijke naamwoorden (zoek gave bij gaaf). Let op dat woorden soms meerdere betekenissen kunnen hebben; kies altijd de betekenis die het beste in de context van de tekst past.
Grammatica: Zinsdelen ontleden
Om zinnen grammaticaal te ontleden, onderscheiden we verschillende zinsdelen en woordsoorten.
Het werkwoord
Een werkwoord is een woord dat zegt wat iets of iemand doet, of wat er gebeurt. Een werkwoord kan in een zin verschillende vormen aannemen (bijvoorbeeld: maken, maakt, maakte, gemaakt).
De persoonsvorm
De persoonsvorm is het belangrijkste werkwoord in de zin en is altijd nauw verbonden met het onderwerp. Er zijn drie betrouwbare manieren om de persoonsvorm in een zin te vinden:
1.De vraagproef: Maak van de zin een ja/nee-vraag. Het werkwoord dat vooraan de vraagzin komt te staan, is de persoonsvorm.
2.De tijdproef: Verander de tijd van de zin (van tegenwoordige tijd naar verleden tijd, of andersom). Het werkwoord dat van vorm verandert, is de persoonsvorm.
3.De getalproef: Verander het aantal van het onderwerp (van enkelvoud naar meervoud, of andersom). Het werkwoord dat hierdoor verandert, is de persoonsvorm.
Het onderwerp
Het grammaticale onderwerp van de zin is de persoon of het ding dat de handeling uitvoert of zich in een bepaalde toestand bevindt. Het onderwerp en de persoonsvorm horen altijd bij elkaar: ze zijn allebei enkelvoud of allebei meervoud. Je vindt het onderwerp door de volgende vraag te stellen: Wie of wat + persoonsvorm? Als controle kun je het gevonden onderwerp vervangen door een persoonlijk voornaamwoord (zoals hij, zij of wij). Als de zin dan nog steeds klopt, heb je het volledige onderwerp te pakken. Let op: in zinnen met een gebiedende wijs (een bevel of opdracht, zoals "Ga weg!") ontbreekt het onderwerp.
Spelling: Leestekens, klankregels en meervoudsvormen
Een correcte spelling en het juiste gebruik van leestekens zorgen ervoor dat een tekst makkelijk te lezen is.
Hoofdletters en leestekens
Je schrijft een hoofdletter aan het begin van elke zin en bij eigennamen (zoals namen van personen, straaten, steden, landen en verenigingen). Een gewone, mededelende zin sluit je af met een punt. Een vraagzin sluit je af met een vraagteken.
Korte en lange klanken
De spelling van klinkers hangt af van de klank:
•Een korte klank schrijf je met één klinker (a, e, i, o, u) in een gesloten lettergreep (bijvoorbeeld: dak, les, wit).
•Een lange klank schrijf je met twee dezelfde klinkers in een gesloten lettergreep (bijvoorbeeld: vaas, weer, groot).
•Staat een lange klank aan het einde van een lettergreep (een open lettergreep)? Dan schrijf je hem met slechts één klinker (bijvoorbeeld: wa-ter, kle-den, sto-ren).
Meervoudsvormen
Als er van een zelfstandig naamwoord meer dan één exemplaar is, spreken we van een meervoud. De meeste Nederlandse woorden krijgen in het meervoud de uitgang -en of -s.
Meervoud op -en
Je maakt het meervoud door -en achter het enkelvoud te zetten (bijvoorbeeld: broek - broeken). Soms veranderen de klankregels de spelling van het woord:
•Er komt een medeklinker bij (verdubbeling) als je in het meervoud een korte klank hoort (bijvoorbeeld: zus - zussen, bed - bedden).
•Er gaat een klinker af (enkelvoudig schrijven) als je in het meervoud een lange klank aan het einde van een lettergreep hoort (bijvoorbeeld: schuur - schuren, bioscoop - bioscopen).
•De letter -s verandert aan het einde van een lettergreep in een -z- (bijvoorbeeld: muis - muizen, kaas - kazen).
•De letter -f verandert aan het einde van een lettergreep in een -v- (bijvoorbeeld: neef - neven, dief - dieven).
Meervoud op -s
Je schrijft de -s meestal direct aan het woord vast (bijvoorbeeld: spelletje - spelletjes). Je gebruikt een apostrof (-'s) als het woord eindigt op een enkele klinker (a, o, u, i, y) en je het woord anders verkeerd zou uitspreken (bijvoorbeeld: taxi's, menu's, kassa's).
Spelling: Werkwoordspelling
De spelling van werkwoorden volgt vaste regels, waarbij het cruciaal is om eerst te bepalen of het werkwoord de persoonsvorm is.
Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd (tt)
Voor de spelling in de tegenwoordige tijd gebruik je de ik-vorm (de stam van het werkwoord) als basis:
•Schrijf de ik-vorm als het onderwerp ik is, of als jij/je direct achter de persoonsvorm staat (bijvoorbeeld: ik kneed, kneed jij).
•Schrijf de ik-vorm + t bij alle andere onderwerpen in het enkelvoud, zoals jij (vóór de persoonsvorm), hij, zij, het of een naam (bijvoorbeeld: jij kneedt, Marlies kneedt).
•Schrijf het hele werkwoord (de infinitief) als het onderwerp meervoudig is (bijvoorbeeld: wij kneden).
Persoonsvorm in de verleden tijd (vt)
In de verleden tijd maken we onderscheid tussen zwakke en sterke werkwoorden:
•Zwakke werkwoorden: De klank verandert niet. Je schrijft de ik-vorm + -de(n) of -te(n). Gebruik de medeklinkers van 't kofschip (of 't kofschaap) om te bepalen welke uitgang je kiest. Eindigt de stam van het hele werkwoord op een van deze medeklinkers? Gebruik dan -te (enkelvoud) of -ten (meervoud). Eindigt de stam op een andere letter? Gebruik dan -de of -den (bijvoorbeeld: kneedde, kneedden, kostte, kostten).
•Sterke werkwoorden: De klank verandert in de verleden tijd. Je schrijft het woord zo kort mogelijk op (bijvoorbeeld: dronk, bleef, reed).
Niet-persoonsvormen
Als een werkwoordsvorm geen persoonsvorm is (zoals een voltooid deelwoord), kun je de vorm niet bepalen met de regels van de tegenwoordige of verleden tijd. Maak het woord in gedachten langer om te horen of het op een -d of een -t eindigt (bijvoorbeeld: gekocht vanwege gekochte, aangemeld vanwege aangemelde).
Vaste voorzetsels
Sommige werkwoorden hebben een vast voorzetsel dat erbij hoort. Het is belangrijk om deze combinaties correct te gebruiken (bijvoorbeeld: feliciteren met, lijken op, waarschuwen voor, bedanken voor, trouwen met, schrikken van, reageren op).
Onregelmatige werkwoorden
De werkwoorden zijn, hebben, willen, kunnen en zullen zijn onregelmatig. Ze volgen de standaardregels niet en veranderen volledig van vorm. Bestudeer de onderstaande tabel goed:
Tijd & Persoon | zijn | hebben | willen | kunnen | zullen |
|---|---|---|---|---|---|
tt: ik | ben | heb | wil | kan | zal |
tt: je/jij | bent | hebt | wilt | kunt | zult |
tt: ... je/jij (inversie) | ben | heb | wil | kun | zul |
tt: hij/zij/het | is | heeft | wil | kan | zal |
tt: wij/jullie/zij | zijn | hebben | willen | kunnen | zullen |
vt: enkelvoud (ik/jij/hij) | was | had | wilde | kon | zou |
vt: meervoud (wij/jullie/zij) | waren | hadden | wilden | konden | zouden |
Formuleren: Verwijswoorden en lastige werkwoorden
Om een tekst vloeiend te laten lopen en herhaling te voorkomen, gebruik je verwijswoorden. Daarnaast zijn er werkwoorden die veel op elkaar lijken, maar een verschillende betekenis hebben.
De/het en verwijswoorden
Met verwijswoorden verwijs je naar een woord dat al eerder is genoemd (het antecedent). Welk verwijswoord je kiest, hangt af van het lidwoord en het geslacht van het zelfstandig naamwoord:
•Bij een de-woord horen de aanwijzende voornaamwoorden deze en die.
•Bij een het-woord horen de aanwijzende voornaamwoorden dit en dat.
Als je verwijst naar personen of dingen, gebruik je de volgende persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden:
Je verwijst naar | Verwijswoord(en) |
|---|---|
Een man | hij, hem, zijn |
Een vrouw | zij/ze, haar |
Een het-woord (onzijdig) | het, zijn |
Meer personen of dingen (meervoud) | zij/ze, hun (bezit) |
Let op: Het bezittelijk voornaamwoord bij een het-woord is altijd zijn (bijvoorbeeld: "Het kind heeft zijn speelgoed mee"). Gebruik hun uitsluitend om bezit aan te geven bij meervoud (bijvoorbeeld: "Zij hebben hun kamer opgeruimd"). Het woord hun mag nooit als onderwerp van de zin worden gebruikt; "Hun hebben dat gedaan" is dus grammaticaal onjuist.
Lastige werkwoorden: kennen/kunnen en liggen/leggen
Sommige werkwoorden lijken qua klank en spelling veel op elkaar, maar betekenen iets heel anders. Zorg dat je de verschillen goed kent:
•Kennen: Heeft te maken met weten of geleerd hebben (bijvoorbeeld: "Hij kent de verkeersregels uit zijn hoofd").
•Kunnen: Betekent in staat zijn om iets te doen, de mogelijkheid hebben (bijvoorbeeld: "Zij kan heel snel fietsen").
•Liggen: Betekent in rusttoestand zijn, niet bewegen (bijvoorbeeld: "Het boek ligt op de tafel" of "Ik lig in bed").
•Leggen: Betekent een actieve handeling uitvoeren, iets neerzetten of plaatsen (bijvoorbeeld: "Ik leg het boek op de tafel").