Les over Taalverzorging - Werkwoordspelling

Les over Taalverzorging - Werkwoordspelling

Gemaakt door Ainstein
Taalverzorging - Werkwoordspelling
Deze video bestaat uit
  • Werkwoordspelling persoonsvormWerkwoordspelling persoonsvorm
  • Werkwoordspelling overige werkwoordsvormenWerkwoordspelling overige werkwoordsvormen
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 08:51
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe werkt de spelling van alle Nederlandse werkwoorden?

Leerdoelen

Je kunt uitleggen wat een persoonsvorm is en hoe je deze herkent met de vraagproef of tijdproef.

Je kunt de regels voor de spelling van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd toepassen.

Je kunt de regels voor de spelling van de persoonsvorm in de verleden tijd toepassen.

Je kunt de spelling van het voltooid deelwoord bepalen met behulp van de verlengproef en 't ex-kofschip.

De persoonsvorm herkennen

In elke zin staan een of meer werkwoorden. De belangrijkste vorm is de persoonsvorm. Dit is de vervoegde vorm van het werkwoord die zich aanpast aan het onderwerp en de tijd van de zin. Je kunt de persoonsvorm op twee manieren snel vinden:

De vraagproef: Maak van de zin een ja-nee-vraag. Het werkwoord dat vooraan komt te staan, is de persoonsvorm.

De tijdproef: Zet de zin in een andere tijd (van tegenwoordige naar verleden tijd, of andersom). Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.

Spelling in de tegenwoordige tijd

Als de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd staat, bepaal je de spelling aan de hand van het onderwerp:

Bij ik of als je/jij achter de persoonsvorm staat: gebruik de stam (de ik-vorm van het werkwoord).

Bij jij (als het voor de persoonsvorm staat), hij, zij, het of een ander enkelvoudig onderwerp: gebruik de stam + t.

Bij meervoudige onderwerpen (zoals wij, jullie, zij): gebruik het hele werkwoord.

Spelling in de verleden tijd

Als de persoonsvorm in de verleden tijd staat, maken we onderscheid tussen twee soorten werkwoorden:

Zwakke werkwoorden

Bij zwakke werkwoorden verandert de klank in de verleden tijd niet. Je bepaalt de uitgang met de regel van 't ex-kofschip (of 't kofschaap):

1.Neem het hele werkwoord en haal daar -en vanaf om de stam te vinden.

2.Kijk naar de laatste letter van deze stam. Zit deze letter in 't ex-kofschip?

3.Zo ja, dan voeg je -te (enkelvoud) of -ten (meervoud) toe aan de stam.

4.Zo nee, dan voeg je -de (enkelvoud) of -den (meervoud) toe aan de stam.

Sterke werkwoorden

Bij sterke werkwoorden verandert de klank in de verleden tijd wel. Je schrijft de persoonsvorm in de verleden tijd zo kort mogelijk, volgens de uitspraak (bijvoorbeeld: lopen wordt liep of liepen).

Het voltooid deelwoord

Als een werkwoord geen persoonsvorm is, kan het een voltooid deelwoord zijn. Een voltooid deelwoord geeft aan dat een handeling is afgerond en staat vaak samen met een hulpwerkwoord (zoals hebben, zijn of worden).

Spelling van het voltooid deelwoord

Om de juiste eindletter van een voltooid deelwoord van een zwak werkwoord te bepalen, gebruik je de verlengproef of de regels van 't ex-kofschip:

Als de stam eindigt op een medeklinker uit 't ex-kofschip, eindigt het voltooid deelwoord op een -t.

Als de stam eindigt op een andere letter, eindigt het voltooid deelwoord op een -d.

Met de verlengproef maak je het woord langer in gedachten om te horen of je een -d of -t schrijft (bijvoorbeeld: gehoord, want het is hoorde; gewerkt, want het is werkte).

Bij sterke werkwoorden eindigt het voltooid deelwoord meestal op -en (bijvoorbeeld: gelopen, vertrokken).