Les over 4 Mooi
Argumenteren
OB - Nederlands - C3 - Presentatie
Werkwoordspelling persoonsvorm
Werkwoordspelling overige werkwoordsvormen
Meervouden en verkleinwoorden

Nederlands: feiten, meningen, argumenten en discussies
Leerdoelen
•Je kunt het verschil tussen feiten, meningen en argumenten uitleggen en deze herkennen in een tekst.
•Je kunt de verschillende vormen van argumentatie (enkelvoudig, onderschikkend en nevenschikkend) onderscheiden en benoemen.
•Je kunt je mening schriftelijk onderbouwen met duidelijke argumenten en ondersteunende voorbeelden.
•Je kunt actief deelnemen aan een discussie door je mening en argumenten te delen en respectvol naar anderen te luisteren.
•Je kunt de betekenis van woorden met veelvoorkomende achtervoegsels afleiden.
•Je kunt persoonlijke en bezittelijke verwijswoorden op de juiste manier gebruiken.
•Je kunt werkwoorden in de tegenwoordige, verleden en voltooide tijd en verkleinwoorden correct spellen.
Feiten, meningen en argumenten
In de Nederlandse taal en bij het lezen van teksten is het belangrijk om het verschil te weten tussen feiten, meningen en argumenten. Een feit is een uitspraak die je kunt controleren. Je kunt controleren of de uitspraak waar of onwaar is door bijvoorbeeld informatie op te zoeken op een betrouwbare website of in een encyclopedie. Een mening is wat iemand ergens van vindt. Met een mening kun je het eens of oneens zijn. Een mening is persoonlijk en niet objectief controleerbaar. Je herkenningspunten voor een mening zijn vaak woorden zoals ik vind, volgens mij of naar mijn mening. Als iemand een mening geeft en deze wil verdedigen, legt diegene uit waarom hij of zij dat vindt. Dit noem je een argument. Een argument herken je aan signaalwoorden zoals want, omdat, daarom en namelijk.
Argumentatiestructuren
Binnen de argumentatieleer onderscheiden we verschillende manieren waarop een standpunt en argumenten met elkaar verbonden zijn. Het standpunt (ook wel de stelling of bewering genoemd) is de uitspraak waarvan de schrijver of spreker de juistheid wil aantonen. We onderscheiden drie hoofdstructuren:
•Enkelvoudige argumentatie: Hierbij wordt het standpunt ondersteund door precies één argument.

•Onderschikkende argumentatie: Hierbij wordt een argument zelf weer ondersteund door een nieuw argument. Dit ondersteunende argument noem je een sub-argument.

•Nevenschikkende argumentatie: Hierbij ondersteunen meerdere argumenten gezamenlijk het standpunt. Deze argumenten zijn gelijkwaardig aan elkaar en werken samen om het standpunt te bewijzen.

Je mening opschrijven
Als je je mening opschrijft, is het belangrijk om deze goed te onderbouwen zodat de lezer begrijpt waarom je dit vindt. Een sterke onderbouwing bestaat uit drie vaste onderdelen:
1.De mening: Je begint met het opschrijven van wat je vindt, bijvoorbeeld met de woorden ik vind of volgens mij.
2.Het argument: Je legt uit waarom je deze mening hebt. Je verbindt het argument aan je mening met signaalwoorden zoals want of omdat.
3.Het voorbeeld: Je maakt je argument duidelijker en overtuigender door een concreet voorbeeld te geven. Dit voorbeeld illustreert de situatie in de praktijk.
Discussie
Een discussie is een gesprek waarin mensen samen, of onder leiding van een gespreksleider, praten over een bepaald onderwerp of een stelling. Het doel van een discussie is om meningen en argumenten uit te wisselen en eventueel tot een gezamenlijke conclusie te komen. Tijdens een discussie kun je door sterke argumenten van anderen ook van mening veranderen.
Kijken en luisteren naar een discussie
Als je naar een discussie kijkt of luistert, let je op de volgende zaken:
1.Wat is het onderwerp of de stelling van de discussie?
2.Wat is de mening van de verschillende deelnemers en welke argumenten gebruiken zij?
3.Met welke spreker(s) ben je het eens of oneens, en waarom?
Deelnemen aan een discussie
Om een discussie ordelijk en succesvol te laten verlopen, gelden er een aantal belangrijke regels voor de deelnemers:
•Geef duidelijk je mening en onderbouw deze met argumenten (voor of tegen de stelling).
•Luister actief naar elkaar en laat iedereen altijd uitpraten.
•Blijf respectvol en wijk niet af van het onderwerp.
De gespreksleider heeft hierbij een sturende rol. Deze persoon opent de discussie, zorgt dat iedereen de kans krijgt om iets te zeggen en grijpt in als de discussie niet goed verloopt.
Woordenschat: Achtervoegsels
Een achtervoegsel is een vast woorddeel dat achter een bestaand woord wordt geplakt om een nieuw woord te vormen. Als je de betekenis van een achtervoegsel kent, kun je de betekenis van een onbekend woord vaak gemakkelijk raden. Veelvoorkomende achtervoegsels zijn:
•-lijk (bijv. hinderlijk: wat voor overlast zorgt; vervelend)
•-heid (bijv. veiligheid, mogelijkheid)
•-teit (bijv. creativiteit: goed zijn in het bedenken van nieuwe dingen)
•-baar (bijv. bruikbaar: wat je kunt gebruiken; strafbaar)
•-atie (bijv. combinatie)
•-aard (bijv. luiaard: iemand die erg lui is)
•-aar (bijv. tekenaar: iemand die tekent)
•-isch (bijv. schematisch: netjes geordend; kritisch)
•-ing (bijv. bescherming, koeling)
•-ig (bijv. moedig: dapper; vijandig)
Soms veranderen achtervoegsels de betekenis van een woord op een specifieke manier:
•-loos: betekent 'zonder' (bijv. smaakloos: zonder smaak; waardeloos)
•-vol: betekent 'met veel' (bijv. smaakvol: met veel smaak; risicovol)
•-lijks: geeft een herhaling aan (bijv. wekelijks: elke week)
Uitdrukkingen met 'oog' en andere lichaamsdelen
In de Nederlandse taal komen veel vaste uitdrukkingen voor. Hieronder staan belangrijke uitdrukkingen en hun betekenis:
•Ogen tekortkomen: Heel veel interessante of leuke dingen tegelijk zien.
•Een oogje in het zeil houden: Op iets of iemand letten om te kijken of alles goed gaat.
•Met het blote oog: Zonder bril, microscoop of andere hulpmiddelen.
•Iemand uit het oog verliezen: Geen contact meer hebben met iemand en niet weten hoe het met diegene gaat.
•Iemand onder vier ogen spreken: Met iemand praten zonder dat er anderen bij zijn.
•Je ogen goed de kost geven: Heel goed en aandachtig rondkijken.
•Buiten de boot vallen: Er niet bij horen.
•Het zonnetje in huis zijn: Zorgen voor een vrolijke sfeer.
•Eieren voor je geld kiezen: Tevreden zijn met minder om problemen te voorkomen.
•Iets aannemen voor zoete koek: Iets zonder twijfel zomaar geloven.
Taalverzorging: Verwijswoorden
Een verwijswoord is een woord dat verwijst naar een ander woord dat al eerder is genoemd of nog genoemd gaat worden. Dit woord waarnaar verwezen wordt, noemen we het antecedent. Verwijswoorden voorkomen dat je steeds dezelfde woorden moet herhalen. Het is belangrijk om de juiste verwijswoorden te kiezen om formuleringsfouten te voorkomen. Let vooral op de volgende veelgemaakte fouten:
Me versus mijn & jou versus jouw
Het verschil tussen deze woorden hangt af van het feit of er sprake is van een bezit:
•Gebruik mijn en jouw als er een bezit direct achter staat (bijv. mijn jas, jouw mening).
•Gebruik me (of mij) en jou (of je) als er geen bezit achter staat (bijv. Sanne vroeg me om advies, de docent gaf jou de toets terug).
Andere belangrijke verwijsregels
•Gebruik u als beleefde vorm voor personen.
•Gebruik hij, hem en zijn voor mannelijke woorden.
•Gebruik zij, ze en haar voor vrouwelijke woorden.
•Gebruik hun als bezittelijk voornaamwoord (bijv. hun fietsen) of als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel.
•Gebruik hen als lijdend voorwerp of na een voorzetsel (bijv. ik zag hen, voor hen).
•Let op: Het woord hun mag nooit het onderwerp van de zin zijn. De zin 'hun hebben dat gedaan' is dus fout. Correct is: 'zij hebben dat gedaan'.
Taalverzorging: Spelling van werkwoorden
Werkwoorden kunnen in verschillende tijden worden geschreven. Gebruik altijd de stam van het werkwoord als basis voor de spelling.
De tegenwoordige tijd
In de tegenwoordige tijd gelden de volgende regels voor de persoonsvorm:
•Ik-vorm (de stam): Gebruik de ik-vorm bij het onderwerp 'ik' en wanneer 'jij' of 'je' als onderwerp achter de persoonsvorm staat (bijv. ik betaal, antwoord je?).
•Ik-vorm + t: Gebruik de ik-vorm met een 't' erachter bij de onderwerpen 'jij/je' (als het onderwerp voor het werkwoord staat), 'hij', 'zij', 'u' of een naam (bijv. jij betaalt, hij antwoordt).
•Hele werkwoord (infinitief): Gebruik het hele werkwoord bij meervoudige onderwerpen zoals 'wij', 'jullie' en 'zij' (bijv. wij puzzelen).
Bij Engelse leenwoorden die we in het Nederlands gebruiken, passen we dezelfde regels toe op de Nederlandse stam (bijv. ik download -> hij downloadt, ik breakdance -> hij breakdancet, ik like -> hij liket).
De verleden tijd
In de verleden tijd maken we onderscheid tussen sterke en zwakke werkwoorden:
•Sterke werkwoorden: Deze werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd (bijv. helpen wordt hielp, ruiken wordt rook, kopen wordt kocht).
•Zwakke werkwoorden: Deze werkwoorden veranderen niet van klank. Je schrijft de ik-vorm + -te(n) of -de(n). Om te bepalen of je -te of -de schrijft, gebruik je de regel van 't kofschaap (of 't ex-kofschip). Eindigt de stam van het werkwoord op een medeklinker uit 't kofschaap? Dan schrijf je -te(n) (bijv. werken -> stam eindigt op 'k' -> werkte). Eindigt de stam op een andere letter? Dan schrijf je -de(n) (bijv. geloven -> stam eindigt op 'v' -> geloofde; verhuizen -> stam eindigt op 'z' -> verhuisde).
De voltooide tijd
De voltooide tijd herken je aan een hulpwerkwoord (zoals hebben, zijn of worden) in combinatie met een voltooid deelwoord.
•Het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden eindigt meestal op -en (bijv. de zanger heeft gezongen).
•Het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden eindigt op -t of -d. Je bepaalt de laatste letter met behulp van 't kofschaap (bijv. de danser heeft gedanst, de schilder heeft geschilderd).
Taalverzorging: Spelling van verkleinwoorden
Een verkleinwoord is een zelfstandig naamwoord dat kleiner of schattiger is gemaakt. Je maakt een verkleinwoord door een achtervoegsel achter het grondwoord te plakken. Welk achtervoegsel je gebruikt, hangt af van de klank en letters aan het einde van het woord:
•Gebruik -je in standaardgevallen (Grondwoord: huis -> Verkleinwoord: huisje; bank -> bankje).
•Gebruik -tje bij woorden die eindigen op l, r, n, t, d of een lange klinker (Grondwoord: tafel -> Verkleinwoord: tafeltje; broer -> broertje; telefoon -> telefoontje).
•Gebruik -pje bij woorden die eindigen op een m (Grondwoord: raam -> Verkleinwoord: raampje; film -> filmpje).
•Gebruik -kje bij woorden die eindigen op -ing. De 'g' verandert hierbij in een 'k' (Grondwoord: buiging -> Verkleinwoord: buiginkje; ketting -> koninkje).
•Gebruik -etje bij woorden met een korte klinker die eindigen op l, r, n, m of ng (Grondwoord: ring -> Verkleinwoord: ringetje; zon -> zonnetje; ding -> dingetje; man -> mannetje).
Klinkerverdubbeling en speciale regels
Bij woorden die eindigen op een enkele lange klinker (a, o, u) treedt klinkerverdubbeling op om de uitspraak lang te houden (Grondwoord: auto -> Verkleinwoord: autootje; cola -> colaatje; kano -> kanootje; café -> cafeetje). Sommige woorden hebben een afwijkende verkleinvorm die je uit je hoofd moet leren:
•glas -> glaasje
•pad -> paadje
•blad -> blaadje
•schip -> scheepje
•jongen -> jongetje
Moeilijke woorden
In dit hoofdstuk staan een aantal moeilijke woorden waarvan je de betekenis en de spelling goed moet kennen:
•Duidelijk: Goed te begrijpen of helder te zien.
•Eindelijk: Na lang wachten of na veel moeite.
•Lelijk: Niet mooi om te zien; onaantrekkelijk.
•Snelheid: De mate van vlugheid waarmee iets beweegt of gebeurt.
•Vrijheid: De toestand waarin je kunt gaan en staan waar je wilt en kunt doen wat je wilt.
•Eerlijk: Betrouwbaar, oprecht en de waarheid sprekend.
•Veiligheid: De situatie waarin er geen gevaar dreigt.
•Mogelijkheid: Iets wat kan gebeuren of wat je kunt kiezen.