Les over 3 Geld
Tekstverbanden en signaalwoorden
Lidwoord
Zelfstandig naamwoord
Werkwoordspelling overige werkwoordsvormen
Verwijswoorden

Geld: alles over instructies, grammatica en spelling
Leerdoelen
•Je kunt samenhang in teksten herkennen met behulp van signaalwoorden.
•Je kunt een duidelijke instructie begrijpen, schrijven en mondeling geven.
•Je kunt de betekenis van woorden achterhalen met behulp van voorvoegsels.
•Je kunt lidwoorden en zelfstandige naamwoorden herkennen en correct gebruiken.
•Je kunt voltooide deelwoorden correct spellen met behulp van de verlengproef en 't kofschip.
•Je kunt verwijswoorden op de juiste manier toepassen op basis van het woordgeslacht en getal.
Samenhang in teksten: Tekstverbanden en signaalwoorden
Om een tekst goed te begrijpen, is het belangrijk om te letten op de samenhang tussen zinnen en alinea's. Deze samenhang wordt duidelijk gemaakt door tekstverbanden. Dit zijn de relaties die er bestaan tussen verschillende tekstgedeelten. Je kunt een tekstverband herkennen aan signaalwoorden. Dit zijn woorden die de lezer een aanwijzing geven over hoe de informatie geordend is.
Overzicht van de belangrijkste tekstverbanden
In de onderstaande tabel vind je de belangrijkste tekstverbanden, hun functie en de bijbehorende signaalwoorden:
Tekstverband | Functie | Signaalwoorden |
|---|---|---|
Chronologisch verband | Geeft een tijdsvolgorde aan waarin gebeurtenissen elkaar opvolgen. | eerst, daarna, toen, vroeger, nu, later, vervolgens, ten slotte |
Concluderend verband | Trekt een logische conclusie uit de voorafgaande informatie. | dus, daarom, kortom, concluderend, al met al |
Doel-middel verband | Laat zien welk middel wordt ingezet om een bepaald doel te bereiken. | zodat, opdat, met behulp van, om te |
Oorzakelijk verband | Laat zien hoe iets gebeurt buiten iemands directe invloedssfeer. | doordat, daardoor, als gevolg van, waardoor |
Opsommend verband | Noemt verschillende zaken of argumenten achter elkaar. | ten eerste, daarnaast, ook, tevens, bovendien, en, ook de tekens zoals opsommingstekens |
Redengevend verband | Legt uit waarom iemand iets doet (binnen iemands invloedssfeer). | daarom, omdat, want, dankzij, immers |
Samenvattend verband | Geeft de belangrijkste informatie uit de tekst in het kort weer. | kortom, samengevat, met andere woorden, al met al |
Tegenstellend verband | Zet twee zaken of meningen die tegenover elkaar staan recht tegenover elkaar. | maar, echter, toch, desondanks, aan de ene kant, daarentegen |
Toegevend verband | Zwakker argument of een andere kant van de zaak die wordt toegegeven. | hoewel, ook al, ofschoon |
Toelichtend verband | Geeft extra informatie, verduidelijking of een concreet voorbeeld. | bijvoorbeeld, zoals, neem nou, denk aan |
Vergelijkend verband | Laat een overeenkomst of een verschil zien tussen twee zaken. | in vergelijking met, net als, evenals, zoals, vergeleken met |
Voorwaardelijk verband | Geeft aan wat er eerst moet gebeuren voordat iets anders kan plaatsvinden. | als, indien, tenzij, mits |
Een instructie begrijpen, schrijven en geven
Een instructie is een tekst of uitleg waarin stap voor stap wordt uitgelegd hoe iemand een bepaalde handeling moet uitvoeren. Denk hierbij aan een recept voor een chocoladepizza of een gebruiksaanwijzing voor het opladen van een ov-chipkaart.
Zo schrijf je een instructie
Bij het schrijven van een schriftelijke instructie gelden de volgende vaste richtlijnen:
1.Zet een duidelijke titel boven de instructie die het onderwerp benoemt.
2.Schrijf een korte inleiding waarin je vertelt waarover de instructie gaat en wat het doel is.
3.Leg de stappen uit in korte, eenvoudige zinnen.
4.Zet alle stappen in de juiste, chronologische volgorde waarin ze moeten worden uitgevoerd.
5.Nummer de stappen of gebruik duidelijke opsommingstekens (zoals een streepje of een bolletje).
6.Begin elke instructiezin met een doe-woord (een werkwoord in de gebiedende wijs), zoals: Pak, Doe, Houd of Kies.
7.Gebruik signaalwoorden die de volgorde aangeven, zoals: eerst, daarna, vervolgens en ten slotte.
8.Voeg afbeeldingen toe als deze de stappen visueel verduidelijken.
Kijken en luisteren naar een instructie
Wanneer je naar een mondelinge of visuele instructie kijkt en luistert (zoals een instructievideo), moet je op de volgende zaken letten:
•Kijk goed naar de spreker en let op wat hij of zij laat zien. Soms is de stem even stil zodat je de handeling rustig kunt bekijken of uitvoeren.
•Focus op de doe-woorden om te weten welke actie er van je wordt verwacht.
•Let op de signaalwoorden om de volgorde van de stappen niet te verwarren.
•Stel direct een vraag als je een stap niet begrijpt of hebt gemist.
Een mondelinge instructie geven
Als je zelf mondeling een instructie geeft aan een ander, is het belangrijk dat de luisteraar de stappen moeiteloos kan opvolgen:
•Noem eerst duidelijk het onderwerp van je instructie.
•Leg de stappen een voor een uit in een logische volgorde. Je kunt hierbij gebruikmaken van een spreekkaartje met daarop de belangrijkste steekwoorden.
•Gebruik actieve doe-woorden en duidelijke signaalwoorden om de structuur aan te geven.
•Spreek rustig, duidelijk en goed verstaanbaar. Let goed op of je luisteraar je begrijpt en pas je tempo aan als dat nodig is.
Woordenschat: Voorvoegsels, geldtermen en uitdrukkingen
Voorvoegsels
Sommige woorden zijn opgebouwd uit een basiswoord met een voorvoegsel ervoor. Een voorvoegsel is een vast woorddeel dat zelf geen zelfstandig woord is, maar de betekenis van het basiswoord verandert. Veelvoorkomende voorvoegsels en hun betekenissen zijn:
•non- = niet, zonder (bijvoorbeeld: non-stop betekent zonder te stoppen).
•her- = weer, opnieuw (bijvoorbeeld: herbouwen betekent opnieuw bouwen).
•on- = niet (bijvoorbeeld: onverstandig betekent niet verstandig).
•ex- = niet meer, van vroeger (bijvoorbeeld: ex-buurman is een vroegere buurman).
•mis- = verkeerd, fout (bijvoorbeeld: miskoop is een verkeerde aankoop).
•inter- = tussen twee of meer gebieden of partijen (bijvoorbeeld: interland is een wedstrijd tussen twee landen).
•wan- = slecht, verkeerd (bijvoorbeeld: wansmaak is een slechte smaak, wanproduct is een slecht gemaakt product).
Geld en consumptie
Om goed over geldzaken te kunnen praten en schrijven, moet je de betekenis van de volgende begrippen kennen:
•Inkomsten: Het geld dat je ontvangt of verdient, bijvoorbeeld door een bijbaantje of zakgeld.
•Uitgaven: Het geld dat je uitgeeft of besteedt aan producten of diensten.
•Verplichte uitgaven: Kosten die je verplicht moet betalen omdat je daar afspraken over hebt gemaakt, zoals abonnementsgeld voor je telefoon.
•Niet-verplichte uitgaven: Kosten die niet noodzakelijk zijn en die je zelf kunt kiezen, zoals geld uitgeven aan snoep of uitgaan.
•Besparen: Minder geld uitgeven of zuiniger omgaan met je middelen om geld over te houden.
•Contant: Betalen met tastbaar geld in de vorm van munten en bankbiljetten (in tegenstelling tot digitaal pinnen).
•Maximaal: Hoogstens, ten hoogste (het uiterste limiet).
•Tekort: Een situatie waarin je te weinig van iets hebt, bijvoorbeeld een tekort aan geld.
•Overhalen: Ervoor zorgen dat iemand iets wil doen, bijvoorbeeld een klant overtuigen om een product te kopen.
•Vergelijken: Bekijken wat de verschillen en de overeenkomsten zijn tussen producten of prijzen.
•Aanbieding: Een product dat tijdelijk goedkoper is dan normaal.
•Voorkomen: Zeker weten te zorgen dat iets onaangenaams niet gebeurt, zoals een miskoop voorkomen door er eerst goed over na te denken.
Uitdrukkingen met geld en gedrag
In het Nederlands gebruiken we veel figuurlijke uitdrukkingen. De betekenissen van de belangrijkste uitdrukkingen uit dit hoofdstuk zijn:
•Een kat in de zak kopen: Een miskoop doen waarbij je pas achteraf merkt dat het product slecht is.
•Uit zijn vel springen: Heel erg boos worden.
•In de wolken zijn: Heel erg blij of gelukkig zijn.
•De handen uit de mouwen steken: Hard aan het werk gaan.
•Een luchtje scheppen: Even naar buiten gaan voor frisse lucht.
•Dat is geen geld: Dat is heel erg goedkoop.
•Eieren voor je geld kiezen: Met minder tevreden zijn als je niet kunt krijgen wat je eigenlijk wilt.
•Geld als water verdienen: Heel erg veel geld verdienen.
•Het geld groeit me niet op de rug: Ik kan niet zomaar heel veel geld uitgeven, want ik moet er hard voor werken.
•In het geld zwemmen: Heel erg rijk zijn en veel geld hebben.
•Met geld smijten: Onnodig veel geld uitgeven aan nutteloze dingen.
Homoniemen
Een homoniem is een woord met meerdere, totaal verschillende betekenissen, terwijl de spelling en uitspraak precies hetzelfde zijn.
•Bank: Een meubelstuk om op te zitten óf een financiële instelling waar je geldzaken regelt.
•Ton: Een groot houten of plastic vat óf een geldbedrag van honderdduizend euro.
•Kopjes: Kleine drinkbekers óf de vriendelijke beweging die een kat met zijn kop maakt.
•Verstopt: Onvindbaar verborgen óf dichtgeslibd (zoals een verstopte neus).
•Haar: De draden die op je hoofd groeien óf het verwijswoord dat naar een vrouw verwijst.
Grammatica: Lidwoorden en zelfstandige naamwoorden
Zelfstandig naamwoord
Een zelfstandig naamwoord (zn) is een woord dat verwijst naar mensen, dieren, dingen, plaatsen, gevoelens, tijdruimtes, gebeurtenissen of denkbeeldige personen en zaken. Je kunt een zelfstandig naamwoord op drie manieren herkennen:
1.Je kunt het woord meestal in het meervoud zetten (bijvoorbeeld: munt - munten, verkoper - verkopers).
2.Je kunt er vaak een verkleinwoord van maken (bijvoorbeeld: munt - muntje, geluk - gelukje).
3.Je kunt er een lidwoord (de, het of een) voor zetten (bijvoorbeeld: de munt, het geluk).
Zelfstandige naamwoorden kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:
•Concrete zelfstandige naamwoorden: Dingen die je in het echt kunt aanraken of zien, zoals mensen (vrouw), dieren (krokodil) en fysieke objecten (auto).
•Abstracte zelfstandige naamwoorden: Zaken die je niet kunt aanraken, zoals gevoelens (boosheid), tijdruimtes (maand), gebeurtenissen (botsing) of denkbeeldige begrippen (geluk).
•Eigen namen: Specifieke namen van personen, landen, steden of rivieren, welke altijd met een hoofdletter worden geschreven (bijvoorbeeld: Karim, Rotterdam, Nederland).
Uitzonderingen: Sommige zelfstandige naamwoorden wijken af van de standaardregels. Het woord politie heeft bijvoorbeeld geen gewone meervoudsvorm, hersenen bestaat alleen in het meervoud, en benzine heeft geen meervoudsvorm.
Lidwoord
Een lidwoord (lw) is een klein woord dat altijd bij een zelfstandig naamwoord hoort. Er zijn er in het Nederlands slechts drie: de, het en een. Soms staan er andere woorden, zoals bijvoeglijke naamwoorden, tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord (bijvoorbeeld: de lage prijs). We verdelen lidwoorden in twee categorieën:
•Bepaalde lidwoorden (de en het): Deze gebruik je als je verwijst naar een specifiek, bekend zelfstandig naamwoord (bijvoorbeeld: de zanger, het liedje).
•Onbepaald lidwoord (een): Dit gebruik je als het zelfstandig naamwoord willekeurig of nog onbekend is (bijvoorbeeld: een zanger, een liedje).
Ezelsbruggetje: Bepaalde lidwoorden (BLW) beginnen met een medeklinker (de, het), net als de letter B. Het onbepaalde lidwoord (OLW) begint met een klinker (een), net als de letter O.
Spelling: Het voltooid deelwoord
Een zin kan naast een persoonsvorm ook een voltooid deelwoord (vd) bevatten. Dit deelwoord geeft aan dat een handeling in het verleden is afgerond. Als er een voltooid deelwoord in de zin staat, is de persoonsvorm (pv) vrijwel altijd een hulpwerkwoord zoals een vorm van zijn, hebben of worden (bijvoorbeeld: Mike heeft een taart gebakken).
Spellingregels voor het voltooid deelwoord
Hoe je een voltooid deelwoord schrijft, hangt af van het soort werkwoord:
•Sterke werkwoorden: Deze werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd. Het voltooid deelwoord eindigt meestal op -en. Schrijf dit deelwoord zo kort mogelijk op (bijvoorbeeld: geklommen, gegeten, gegaan, gezien).
•Zwakke werkwoorden: Deze werkwoorden veranderen niet van klank. Het voltooid deelwoord eindigt op een -t of een -d. Om te bepalen welke letter je schrijft, gebruik je de verlengproef: maak het woord in gedachten langer (bijvoorbeeld: Het heeft 7 euro gekost -> gekoste, dus je schrijft een t. Het papier is gescheurd -> gescheurde, dus je schrijft een d).
Je kunt ook de regel van 't kofschip (of 't ex-kofschip) toepassen op de stam van het hele werkwoord:
•Eindigt de stam van het werkwoord op een medeklinker uit 't kofschip (t, k, f, s, ch, p)? Dan eindigt het voltooid deelwoord op een -t (bijvoorbeeld: hopen -> stam is hoop -> p zit in 't kofschip -> gehoopt).
•Eindigt de stam op een andere letter? Dan schrijf je een -d (bijvoorbeeld: antwoorden -> stam is antwoord -> d zit niet in 't kofschip -> geantwoord).
Formuleren: Verwijswoorden en tekstopbouw
Verwijswoorden en antecedenten
Om te voorkomen dat je in een tekst steeds dezelfde woorden herhaalt, gebruik je verwijswoorden. Een verwijswoord wijst terug naar een woord dat eerder is genoemd. Dit eerder genoemde woord noemen we het antecedent. Voorbeeld: "Max is blij. Hij heeft geld verdiend." (Hij is het verwijswoord, Max is het antecedent). Welk verwijswoord je moet kiezen, hangt af van het getal en het woordgeslacht van het antecedent:
Woordgeslacht / Getal | Persoonlijk vnw. | Bezittelijk vnw. | Aanwijzend vnw. | Betrekkelijk vnw. |
|---|---|---|---|---|
Mannelijke de-woorden | hij, hem | zijn | deze, die | die |
Vrouwelijke de-woorden | zij, ze | haar | deze, die | die |
Onzijdige het-woorden | het | zijn | dit, dat | dat |
Meervoud (onderwerp) | zij, ze | hun | deze, die | die |
Meervoud (lijdend voorwerp) | hen | hun | - | - |
Meervoud (meewerkend voorwerp) | hun | hun | - | - |
Hoe bepaal je het woordgeslacht?
Je kunt het geslacht van een woord opzoeken in een woordenboek of op woordenlijst.org. Veel de-woorden met specifieke uitgangen zijn echter vrijwel altijd vrouwelijk:
•-heid (veiligheid, boosheid)
•-ing (verkiezing, verpleging)
•-schap (boodschap, rekenschap)
•-nis (bemoeienis, belevenis)
•-ie (politie, delegatie)
•-ij (bakkerij, burgerij)
•-teit (universiteit)
•-uur (natuur, cultuur)
Belangrijke regels voor verwijswoorden:
•Hun kan nooit het onderwerp van een zin zijn! De zin "Hun hebben dat gedaan" is dus altijd grammaticaal fout. Het moet zijn: "Zij hebben dat gedaan".
•Bij onzijdige het-woorden (zoals verkleinwoorden of landen) gebruik je bij bezit de mannelijke vorm zijn (bijvoorbeeld: het kind en zijn speelgoed).
•Dat of wat? Gebruik dat om te verwijzen naar een specifiek het-woord. Gebruik wat na een onbepaald voornaamwoord (alles, iets, niets), na een overtreffende trap (het mooiste wat...) of als je verwijst naar een hele zin.
•Wie of waar? Verwijs naar personen met een voorzetsel + wie (bijvoorbeeld: de man met wie ik sprak). Verwijs naar zaken of dingen met waar + voorzetsel (bijvoorbeeld: de tafel waarop het boek ligt).
Tekstopbouw: De SExI-methode
Een goede tekst is logisch opgebouwd en bestaat uit een inleiding (onderwerp introduceren en lezer nieuwsgierig maken), een middenstuk (deelaspecten uitwerken in losse alinea's) en een slot (samenvatting of conclusie met een uitsmijter). Om alinea's in het middenstuk krachtig op te bouwen, gebruik je de SExI-methode:
•State (Kernzin): Formuleer de belangrijkste bewering of het hoofdidee van de alinea.
•Explain (Uitleg): Leg uit waarom dit hoofdidee waar is en geef extra toelichting.
•Illustrate (Illustratie): Geef een concreet voorbeeld om je uitleg te bewijzen.
Moeilijke woorden: Franse leenwoorden
In het Nederlands gebruiken we veel woorden die oorspronkelijk uit het Frans komen. Deze woorden hebben vaak specifieke uitspraakregels die je uit je hoofd moet leren:
•Woorden waarin je -eau uitspreekt als -o: bureau, cadeau, niveau.
•Woorden waarin je -ou uitspreekt als -oe: chauffeur, route.
•Woorden waarin je de -g of -ch uitspreekt als -sj: chef, chocolade, horloge, journalist, logeren, stage.