Les over Taalverzorging - Samengestelde zinnen maken

Les over Taalverzorging - Samengestelde zinnen maken

Gemaakt door Ainstein
Taalverzorging - Samengestelde zinnen maken
Deze video bestaat uit
  • Hoofd- en bijzinHoofd- en bijzin
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 01:49
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Hoe maak je samengestelde zinnen in het Nederlands?

Leerdoelen

Je kunt uitleggen wat een samengestelde zin is.

Je kunt verschillende veelgebruikte voegwoorden noemen en toepassen om zinnen te verbinden.

Je kunt de woordvolgorde in een samengestelde zin controleren en corrigeren.

Je kunt uitleggen hoeveel persoonsvormen er in een samengestelde zin staan.

Wat is een samengestelde zin?

Een tekst bestaat uit zinnen. In plaats van alleen maar korte, losse zinnen te schrijven, kun je zinnen samenvoegen tot een samengestelde zin. Je plakt deze kortere zinnen aan elkaar vast met behulp van een voegwoord. In een samengestelde zin staan altijd meerdere persoonsvormen. Meestal zijn dit er twee, maar als je meer zinnen samenvoegt met meerdere voegwoorden, kunnen het er ook drie of meer zijn.

Veelgebruikte voegwoorden

Een voegwoord is het verbindingswoord dat de zinnen aan elkaar plakt. Veelgebruikte voegwoorden zijn:

en

omdat

terwijl

zodat

nadat

als

toen

want

maar

of

dus

Stappenplan: Zo maak je een samengestelde zin

Om van losse zinnen een correcte samengestelde zin te maken, volg je deze stappen:

1.Gebruik een voegwoord om van twee zinnen één zin te maken.

2.Controleer of de woordvolgorde in de nieuwe zin goed is.

De juiste woordvolgorde

Wanneer je zinnen samenvoegt, verandert soms de woordvolgorde van de zin. Het is belangrijk om goed op te letten hoe de woorden achter elkaar staan, zodat de zin grammaticaal correct is. Hieronder zie je voorbeelden van foutieve en correcte woordvolgordes bij het maken van een samengestelde zin:

Fout
Goed
Omdat de zon schijnt, hij gaat zwemmen.
Omdat de zon schijnt, gaat hij zwemmen.
Hij gaat zwemmen, omdat schijnt de zon.
Hij gaat zwemmen, omdat de zon schijnt.
Hij gaat zwemmen, want schijnt de zon.
Hij gaat zwemmen, want de zon schijnt.