Les over 2 Buiten

Les over 2 Buiten

Gemaakt door Ainstein
2 Buiten
Deze video bestaat uit
  • De tekststructuurDe tekststructuur
  • Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak
  • Hoofd- en bijzinHoofd- en bijzin
  • Werkwoordspelling persoonsvormWerkwoordspelling persoonsvorm
  • OB - Nederlands - D2 - PresentatieOB - Nederlands - D2 - Presentatie
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 11:21
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Buiten: hoofdzaken, spelling en samengestelde zinnen

Leerdoelen

Je kunt het verschil tussen hoofdzaken en bijzaken in een tekst herkennen en uitleggen.

Je kunt informatie uit verschillende bronnen in je eigen woorden herschrijven voor een werkstuk.

Je kunt effectieve aantekeningen maken in steekwoorden bij een gesproken tekst of videofragment.

Je kunt de hoofdzaken van een tekst of gebeurtenis in een logische volgorde navertellen.

Je kunt figuurlijk taalgebruik en uitdrukkingen herkennen, begrijpen en opzoeken in het woordenboek.

Je kunt korte zinnen met behulp van voegwoorden samenvoegen tot correcte samengestelde zinnen.

Je kunt de verleden tijd van zowel zwakke als sterke werkwoorden correct spellen.

Je kunt hoofdletters, komma's en andere leestekens op de juiste manier toepassen in een tekst.

Je kunt het verschil tussen de standaardtaal, groepstaal en straattaal benoemen.

Hoofdzaken en bijzaken

De belangrijkste informatie in een tekst noem je de hoofdzaken. Wat minder belangrijk is en dient als versiering, uitleg of voorbeeld, noem je de bijzaken. Om snel de hoofdzaken van een tekst te vinden, lees je eerst de inleiding en het slot. Daarnaast lees je de eerste en de laatste zin van elke alinea, omdat hierin meestal de belangrijkste informatie staat. Zo'n belangrijkste zin van een alinea noemen we de kernzin. In de rest van de alinea vind je vervolgens de bijzaken, zoals een toelichting of een concreet voorbeeld. Ook de lay-out (de opmaak) van een tekst helpt je bij het vinden van de hoofdzaken: in studieboeken zijn belangrijke begrippen vaak vetgedrukt of staat de uitleg in een opvallende kleur.

Voorbeelden uit de praktijk

In het hoofdstuk komen verschillende teksten aan bod waarin we hoofdzaken en bijzaken van elkaar scheiden:

Favela's in Brazilië: Een favela is een sloppenwijk in Brazilië waar arme mensen in slechte omstandigheden dicht op elkaar leven. De hoofdzaak is dat deze buitenwijken erg onoverzichtelijk en gevaarlijk zijn, en dat er slechte scholen zijn waardoor kinderen moeilijk aan werk komen. Bijzaken zijn de details over de bouwmaterialen (zoals afval en golfplaten) en de specifieke 'bazen' van het water of het licht.

Vitamine D: De hoofdzaak is dat het lichaam door zonlicht vitamine D aanmaakt en dat een tekort in de herfst en winter leidt tot vermoeidheid. De oplossing is simpel: ga naar buiten of eet vette vis. De specifieke vissoorten (zoals makreel, haring, zalm of sardines) zijn bijzaken.

Buiten de piste skiën: De hoofdzaak is dat skiën of snowboarden buiten de pistes levensgevaarlijk is vanwege het risico op een lawine (een snel naar beneden schuivende sneeuwmassa). Bijzaken zijn de exacte snelheid van de sneeuw (tweehonderd kilometer per uur) of de manier waarop reddingshonden met een helikopter worden vervoerd.

Teksten schrijven voor een werkstuk

Als je op school een werkstuk maakt, verzamel je informatie uit verschillende bronnen, zoals boeken, kranten of internet. Het is belangrijk dat je deze informatie nooit letterlijk overschrijft. Je moet de gevonden informatie altijd in je eigen woorden weergeven.

Stappenplan voor het schrijven van een tekst

1.Markeer de belangrijkste of interessantste informatie in je bronnen. Let hierbij goed op de hoofdzaken.

2.Schrijf de informatie in je eigen woorden op:

Oefenen met de Waddenzee

In het hoofdstuk schrijven we een tekst over de Waddenzee, een uniek natuurgebied in Nederland dat op de Werelderfgoedlijst van Unesco staat. Bij het schrijven over dit gebied komen belangrijke begrippen kijken:

Eb: De periode waarin het water daalt en wegstroomt, waardoor grote delen van de zee droogvallen.

Vloed: De periode waarin het water stijgt en weer richting de kust stroomt.

Wadden: De stukken zandplaat die tijdens eb droogvallen en waarop talloze dieren (zoals zeehonden, trekvogels, garnalen en krabben) voedsel zoeken of rusten.

Aantekeningen maken

Als je informatie van een spreker of uit een videofragment moet onthouden, is het verstandig om aantekeningen te maken. Je schrijft dan snel de belangrijkste informatie op. Een spreker helpt je vaak om te horen wat de hoofdzaken zijn door:

De opbouw van het verhaal te verklappen ("Eerst vertel ik... daarna leg ik uit...").

De hoofdzaken extra te benadrukken met signaalzinnen ("Let op" of "Luister goed").

Een vraag te stellen waarop hij of zij direct zelf antwoord geeft.

Aan het einde een samenvatting te geven van de hoofdzaken.

Zo maak je aantekeningen

1.Schrijf direct het onderwerp op. Dit wordt meestal aan het begin van de presentatie genoemd.

2.Noteer alleen de hoofdzaken en laat de bijzaken weg.

3.Schrijf de hoofdzaken op in korte steekwoorden. Gebruik hierbij handige hulpmiddelen zoals pijlen, streepjes en nummers om verbanden snel weer te geven.

Hoofdzaken navertellen

Soms moet je aan een ander navertellen wat je hebt gehoord of gezien, zoals een bezoek aan de tandarts of een spannend concert. Het is belangrijk dat je de luisteraar niet vermoeit met onbelangrijke details.

Richtlijnen voor het navertellen

1.Begin met het noemen van het onderwerp van je verhaal.

2.Noem uitsluitend de hoofdzaken en laat de bijzaken weg.

3.Vertel de gebeurtenissen in een logische, chronologische volgorde.

4.Spreek rustig, duidelijk en goed verstaanbaar.

Woordenschat: Figuurlijk taalgebruik

In teksten kom je regelmatig woorden of uitdrukkingen tegen met een figuurlijke betekenis. Bij figuurlijk taalgebruik wordt er iets anders bedoeld dan er letterlijk staat geschreven.

Letterlijk: We sliepen onder de blote hemel. (We sliepen zonder dak boven ons hoofd).

Figuurlijk: Hij woont in het hart van de stad. (Hij woont in het centrum van de stad).

Als je een uitdrukking niet begrijpt, kun je deze opzoeken in het woordenboek. Zoek altijd bij het eerste zelfstandige naamwoord uit de uitdrukking. Vind je het daar niet, zoek dan op een ander belangrijk woord uit de zin.

Belangrijke uitdrukkingen en hun betekenis

Uitdrukking
Betekenis
met de handen in het haar zitten
Niet meer weten wat je moet doen bij een probleem.
aan de voet van
Onderaan een berg of heuvel.
het spits afbijten
Als eerste aan een moeilijke of spannende taak beginnen.
op pad gaan
Vertrekken of aan een reis beginnen.
aan de slag gaan
Beginnen met werken of aan een taak beginnen.
stalen zenuwen hebben
Heel rustig en dapper blijven in een spannende situatie.
als klap op de vuurpijl
Als spectaculaire of verrassende afsluiting.
buiten de boot vallen
Niet mogen meedoen of er niet bij horen.
het gaat hem voor de wind
Het gaat erg goed met hem; hij heeft veel succes.
het zonnetje in huis zijn
Een vrolijk persoon zijn die overal gezelligheid brengt.
na regen komt zonneschijn
Na een moeilijke periode komt er altijd weer een betere tijd.
een luchtje scheppen
Even naar buiten gaan voor wat frisse lucht.
het loopt storm
Er is erg veel belangstelling voor iets; er komen veel mensen op af.
iets uit je duim zuigen
Iets verzinnen wat niet waar is.
twee handen op één buik zijn
Het altijd volledig met elkaar eens zijn.
je hart luchten
Je zorgen of problemen uitspreken tegen iemand anders.
dat is voor mij gesneden koek
Iets heel eenvoudig of makkelijk vinden om te doen.
tijd tekortkomen
Het heel erg druk hebben.
in de put zitten
Enorm verdrietig of somber zijn.

Groepsgedrag en de invloed van de groep

Uit psychologisch onderzoek, zoals het wereldberoemde experiment van Solomon Asch, blijkt dat mensen vaak meegaan met de groep omdat ze niet buiten de boot willen vallen. Dit noemen we groepsgedrag. Wanneer mensen bewust een verkeerd antwoord geven, zal een onwetende deelnemer vaak hetzelfde foute antwoord geven om erbij te horen. Als er echter een tweede persoon is die wel het goede antwoord geeft, voelt de deelnemer zich gesteund en durft hij of zij sneller voor de eigen mening uit te komen.

Samengestelde zinnen maken

Een tekst leest prettiger als je korte en langere zinnen met elkaar afwisselt.

Een enkelvoudige zin heeft slechts één onderwerp en één persoonsvorm ("Ik ga vaak naar het strand.").

Een samengestelde zin bestaat uit meerdere korte zinnen die aan elkaar zijn geplakt met een voegwoord ("Ik ga vaak naar het strand, want ik woon daar vlakbij.").

Veelgebruikte voegwoorden zijn: en, omdat, terwijl, zodat, nadat, als, toen, want, maar, of, dus.

Let op de woordvolgorde!

Als je zinnen samenvoegt met een voegwoord, verandert soms de woordvolgorde van de zin. Controleer altijd of de zin nog wel natuurlijk klinkt:

Fout: Omdat de zon schijnt, hij gaat zwemmen.

Goed: Omdat de zon schijnt, gaat hij zwemmen.

Goed: Hij gaat zwemmen, omdat de zon schijnt.

Goed: Hij gaat zwemmen, want de zon schijnt.

In een samengestelde zin staan altijd minstens twee persoonsvormen en twee onderwerpen.

Taalverzorging spelling: Persoonsvorm verleden tijd

De persoonsvorm verleden tijd geeft aan dat een handeling al is gebeurd of voorbij is. Om de verleden tijd correct te spellen, moet je eerst bepalen of het werkwoord zwak of sterk is.

Zwakke werkwoorden spellen

Bij een zwak werkwoord verandert de klank van het werkwoord niet in de verleden tijd. Je schrijft de verleden tijd door achter de ik-vorm -te(n) of -de(n) te plakken. Om te bepalen of je -te of -de schrijft, gebruik je de regel van 't ex-kofschip:

1.Neem het hele werkwoord (de infinitief) en haal daar de letters -en vanaf. Je houdt nu de stam over.

2.Kijk naar de laatste letter van deze stam. Zit deze letter in de medeklinkers van 't ex-kofschip (t, x, k, f, s, ch, p)?

3.Ja? Schrijf dan de ik-vorm + -te(n). (Bijvoorbeeld: knippen -> stam knip eindigt op p -> knipte).

4.Nee? Schrijf dan de ik-vorm + -de(n). (Bijvoorbeeld: verven -> stam verv eindigt op v -> verfde).

Let op het onderwerp: is het onderwerp enkelvoud? Dan schrijf je -te of -de. Is het onderwerp meervoud? Dan komt er een -n achter en schrijf je -ten of -den.

Sterke werkwoorden spellen

Bij een sterk werkwoord verandert de klank in de verleden tijd. Je schrijft het werkwoord in de verleden tijd zo kort mogelijk op:

bijten -> ik beet, wij beten

helpen -> ik hielp, wij hielpen

kopen -> ik kocht, wij kochten

houden -> ik hield, wij hielden

Taalverzorging spelling: Hoofdletters en leestekens

Het correct toepassen van hoofdletters en leestekens zorgt ervoor dat een tekst goed leesbaar en begrijpelijk is.

Wanneer gebruik je hoofdletters?

Aan het begin van elke nieuwe zin. Let op: begint een zin met 's? Dan krijgt het tweede woord de hoofdletter ("'s Morgens ben ik vrolijk.").

Bij eigennamen van personen, straten, steden, landen, sportclubs, merken en feestdagen (Jan Wouters, Coolsingel, Breda, PSV, Audi, Pasen, Nutella).

Bij woorden die van aardrijkskundige namen zijn afgeleid (Noord-Brabantse, Marokkaanse).

Belangrijke uitzondering: Namen van dagen (vrijdag), maanden (oktober), seizoenen (herfst) en windstreken (westen) krijgen in het Nederlands geen hoofdletter!

Wanneer gebruik je een komma?

Een komma brengt rust in de zin. Je gebruikt een komma in de volgende situaties:

1.In een samengestelde zin tussen twee persoonsvormen die direct naast elkaar staan ("Als jij de hond uitlaat, zet ik thee.").

2.Vóór voegwoorden zoals omdat, maar, terwijl, zodat, nadat, toen, want, voordat. Let op: voor het voegwoord en schrijf je in de regel geen komma.

3.Tussen de verschillende delen van een opsomming, behalve voor het laatste deel als daar en voor staat ("Ik kocht een ui, prei en paprika.").

Taalweetjes: Groepstaal en straattaal

Iedereen in Nederland praat anders. Dit hangt af van waar je vandaan komt, hoe je stembanden gebouwd zijn en met wie je praat. Op school leren we allemaal de officiële standaardtaal van het Nederlands.

Groepstaal en straattaal

Naast de standaardtaal spreken veel mensen ook een groepstaal. Dit is een taalvariant die je specifiek met je vrienden of je familie spreekt om te laten zien dat je bij elkaar hoort. Een bekend voorbeeld van een groepstaal is straattaal. Straattaal verandert ontzettend snel. Woorden die vroeger heel populair waren (zoals mieters of gaaf), worden door jongeren tegenwoordig snel vervangen door nieuwe woorden (zoals boemlauw).