Les over 1 Samen
Het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst
De tekststructuur
OB - Nederlands - F2 - Presentatie
Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak
Persoonsvorm - + 4 video's

Samen Nederlands leren: lezen, schrijven en grammatica
Leerdoelen
•Je kunt het onderwerp en de deelonderwerpen van een tekst bepalen en de opbouw in een inleiding, middenstuk en slot herkennen.
•Je kunt in vier stappen een logische tekst schrijven met behulp van een woordveld.
•Je kunt informatie halen uit de lichaamstaal en het stemgebruik van een spreker en dit zelf toepassen in een gesprek.
•Je kunt de betekenis van een onbekend woord achterhalen met verschillende leesstrategieën of opzoeken in het woordenboek.
•Je kunt de persoonsvorm en het onderwerp in een zin vinden en samengestelde zinnen en voegwoorden herkennen.
•Je kunt de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd correct spellen, ook bij werkwoorden die eindigen op -den.
Lezen: Onderwerp, deelonderwerpen en tekstopbouw
Elke tekst die je leest, gaat ergens over. Dat noem je het onderwerp van een tekst. Je kunt het onderwerp meestal in een of een paar woorden omschrijven, zoals 'sporten', 'multiculturele samenleving' of 'sociale media'. Het onderwerp is nooit een hele zin en bevat geen persoonsvorm.
De opbouw van een tekst
De meeste teksten zijn opgebouwd uit drie vaste onderdelen:
•De inleiding: hierin maak je kennis met het onderwerp van de tekst. De schrijver probeert je hier ook nieuwsgierig te maken, bijvoorbeeld door een actuele gebeurtenis te noemen of een opvallend probleem te presenteren.
•Het middenstuk: hierin lees je over de verschillende kanten of delen van het onderwerp. Deze delen noem je deelonderwerpen. Vaak helpt een tussenkopje je om een deelonderwerp snel te herkennen.
•Het slot: dit is het einde van de tekst. Hierin wordt het belangrijkste uit de tekst vaak kort herhaald of trekt de schrijver een conclusie. Soms geeft de schrijver hier ook een toekomstverwachting of een uitsmijter.
Hoofdzaken, bijzaken en kernzinnen
Als je een tekst leest, hoef je niet elk detail te onthouden. Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen de belangrijkste informatie en de details:
•De hoofdzaken vormen de belangrijkste informatie van de tekst. Je vindt ze vooral in de inleiding, het slot en in de belangrijkste zinnen van een alinea.
•De bijzaken geven extra uitleg, verduidelijking of voorbeelden bij de hoofdzaken.
•Een kernzin is de belangrijkste zin van een alinea. Deze zin staat meestal aan het begin of aan het einde van een alinea en fungeert als de kapstok voor de rest van de informatie in die alinea.
Schrijven: Stap voor stap een tekst schrijven
Het schrijven van een goede tekst is een proces dat je het beste in vaste stappen kunt aanpakken. Zo behoud je het overzicht en wordt je tekst logisch opgebouwd.
1.Woordveld maken: noteer het onderwerp in het midden en schrijf zo veel mogelijk woorden op die met je onderwerp te maken hebben. Dit helpt je om ideeën te verzamelen.
2.Deelonderwerpen ordenen: maak groepjes van de woorden uit je woordveld die bij elkaar horen. Elk groepje woorden vormt een deelonderwerp. Zet deze deelonderwerpen vervolgens in een logische volgorde.
3.Tekst schrijven: schrijf nu je tekst. Gebruik voor de inleiding en het slot elk één alinea. Gebruik in het middenstuk voor elk deelonderwerp minstens één aparte alinea. Vergeet niet om een passende, aantrekkelijke titel boven je tekst te zetten.
4.Controleren en verbeteren: lees je tekst kritisch door. Staat alles er duidelijk in? Verbeter eventuele taal-, spel- en grammaticafouten.
Variatie en verbinding
Om je geschreven tekst aantrekkelijk en leesbaar te maken, kun je variatie en verbinding aanbrengen:
•Variatie in zinsdeelvolgorde: wissel de standaardvolgorde van zinnen af. Begin niet elke zin met het onderwerp, maar zet eens een ander zinsdeel vooraan.
•Variatie in woordkeuze: voorkom dat je steeds dezelfde woorden herhaalt. Gebruik een synoniem, wat een ander woord met ongeveer dezelfde betekenis is (zoals 'wagen' in plaats van 'auto').
•Actieve en passieve zinnen: wissel actieve zinnen (waarin het onderwerp de handeling zelf uitvoert) af met passieve zinnen (waarin de handeling ondergaan wordt). Actieve zinnen geven je tekst meer vaart.
•Verbinding met signaalwoorden en verwijswoorden: gebruik signaalwoorden om verbanden tussen zinnen te leggen (zoals 'bovendien' voor een opsomming of 'omdat' voor een reden). Gebruik verwijswoorden (zoals 'hij', 'zij', 'die' of 'dat') om naar eerder genoemde woorden te verwijzen en herhaling te voorkomen.
Kijken, luisteren en spreken: Lichaamstaal en stemgebruik
Als je met iemand praat of naar een video kijkt, krijg je niet alleen informatie door de woorden die worden uitgesproken. De manier waarop iemand spreekt en beweegt, vertelt je minstens zo veel. Dit noemen we lichaamstaal: het communiceren en overbrengen van gevoelens of meningen met je gezichtsuitdrukking, je lichaamshouding of door je handen te gebruiken.
Belangrijke elementen van non-verbale communicatie
Let bij het luisteren en spreken altijd op de volgende vier punten:
•De intonatie: dit is het stemgebruik. Let op de manier waarop iemand spreekt. Welke woorden krijgen extra nadruk? Klinkt de stem enthousiast, boos, verdrietig of juist heel eentonig?
•De houding: hoe zit of staat iemand? Een actieve, rechtopstaande houding straalt interesse en zelfvertrouwen uit, terwijl een ingezakte houding kan duiden op vermoeidheid of desinteresse.
•De gebaren: het gebruiken van je handen om te verduidelijken wat je zegt, of om te laten zien dat je enthousiast bent.
•De gezichtsuitdrukking: aan het gezicht kun je vaak direct zien hoe iemand zich voelt, bijvoorbeeld door het fronsen van de wenkbrauwen bij verbazing of een glimlach bij blijdschap.
Lichaamstaal gebruiken in een gesprek
In een gesprek kun je zelf ook bewust lichaamstaal inzetten:
1.Zorg voor een actieve houding en zit of sta rechtop als je geïnteresseerd bent.
2.Houd oogcontact met je gesprekspartner; kijk de ander niet te veel, maar zeker ook niet te weinig aan.
3.Knik af en toe om te laten merken dat je de ander begrijpt en luistert.
4.Let goed op de lichaamstaal van de ander om extra informatie over diens gevoelens te krijgen.
Gebarentaal en het handalfabet
Als spreken of horen niet mogelijk is, biedt gebarentaal uitkomst. In Nederland gebruiken we de Nederlandse Gebarentaal (NGT). Dit is een volwaardige taal met eigen gebaren voor woorden. Voor namen van mensen of specifieke woorden waarvoor geen standaardgebaar bestaat, wordt het handalfabet gebruikt. Hierbij wordt elke letter van het alfabet met een specifiek handgebaar gespeld.
Woordenschat: Woordbetekenissen en uitdrukkingen
Wanneer je tijdens het lezen een onbekend woord tegenkomt, hoef je niet direct naar het woordenboek te grijpen. Je kunt de betekenis vaak uit de tekst zelf afleiden met deze handige strategieën:
•Zoek naar een synoniem in de tekst: een woord dat ongeveer hetzelfde betekent.
•Zoek naar een directe uitleg of omschrijving van het woord in de omringende zinnen.
•Zoek naar een voorbeeld: let op signaalwoorden zoals 'bijvoorbeeld' of 'zoals'.
•Zoek naar een tegenstelling: woorden met een tegenovergestelde betekenis kunnen je helpen te begrijpen wat het onbekende woord juist niet betekent.
•Zoek naar bekende woorddelen: herken je een deel van het woord, zoals een voorvoegsel (bijvoorbeeld 'on-' wat 'niet' betekent) of een achtervoegsel?
Als deze strategieën niet werken, zoek het woord dan op in een woordenboek en kies de betekenis die het beste in de context van de tekst past. Sommige woorden hebben namelijk meerdere betekenissen; dit noem je homoniemen (zoals het woord 'arm', dat zowel een lichaamsdeel als 'niet rijk' kan betekenen).
Figuurlijk taalgebruik: Uitdrukkingen, spreekwoorden en gezegden
In het Nederlands gebruiken we veel figuurlijk taalgebruik. Dit betekent dat je niet letterlijk bedoelt wat er staat. We onderscheiden drie vormen:
•Een spreekwoord: dit is een vaste, onveranderlijke zin die een algemene levensles of wijsheid bevat (bijvoorbeeld: 'Oost, west, thuis best').
•Een gezegde: dit is een vaste woordverbinding zonder werkwoord, die geen hele zin vormt (bijvoorbeeld: 'op de valreep').
•Een uitdrukking: dit bevat wel een werkwoord en kan worden aangepast aan de zin, maar bevat geen algemene wijsheid (bijvoorbeeld: 'lachen als een boer met kiespijn').
In dit hoofdstuk staan uitdrukkingen met de hand centraal. Dit zijn bekende voorbeelden en hun betekenissen:
•Twee handen op één buik zijn: het altijd met elkaar eens zijn en nauw samenwerken.
•De handen uit de mouwen steken: flink aan het werk gaan.
•Handen tekortkomen: het heel erg druk hebben.
•In goede handen zijn: goed verzorgd of beschermd worden.
•Met de handen in het haar zitten: niet meer weten wat je moet doen in een moeilijke situatie.
•Vele handen maken licht werk: als je iets samen doet, gaat het sneller en makkelijker.
Taalverzorging grammatica: Persoonsvorm, onderwerp en zinnen
Om zinnen grammaticaal goed te begrijpen en te ontleden, moet je de belangrijkste zinsdelen kunnen benoemen.
De persoonsvorm vinden
De persoonsvorm is altijd een werkwoord en is de spil van de zin. Er zijn drie betrouwbare manieren om de persoonsvorm te vinden:
•De vraagproef: maak van de zin een ja/nee-vraag met precies dezelfde woorden. Het werkwoord dat vooraan komt te staan, is de persoonsvorm.
•De tijdproef: zet de zin in een andere tijd (van de tegenwoordige tijd naar de verleden tijd, of andersom). Het werkwoord dat verandert, is de persoonsvorm.
•De getalproef: verander het getal van de zin (van enkelvoud naar meervoud, of andersom). Het werkwoord dat mee verandert, is de persoonsvorm.
Het onderwerp vinden
Het grammaticaal onderwerp hoort altijd bij de persoonsvorm. Het onderwerp is de persoon, het dier of het ding dat de handeling in de zin uitvoert of is. Je vindt het onderwerp door de volgende stappen te zetten:
1.Zoek eerst de persoonsvorm van de zin.
2.Stel de vraag: wie of wat + persoonsvorm? Het antwoord op deze vraag is het onderwerp.
3.Controleer je antwoord door het onderwerp te vervangen door een persoonlijk voornaamwoord (zoals 'hij', 'zij' of 'wij'). Als de zin nog steeds klopt, heb je het juiste onderwerp te pakken.
Let op: zinnen in de gebiedende wijs (een bevel of dringend verzoek, zoals: 'Ruim je kamer op!') hebben geen onderwerp.
Enkelvoudige en samengestelde zinnen
Zinnen kunnen op verschillende manieren zijn opgebouwd:
•Een enkelvoudige zin heeft slechts één onderwerp en één persoonsvorm.
•Een samengestelde zin bestaat uit meerdere zinnen die aan elkaar zijn geplakt. Een samengestelde zin heeft daarom altijd minstens twee persoonsvormen en twee onderwerpen.
Om de delen van een samengestelde zin aan elkaar te plakken, gebruik je een voegwoord. Voegwoorden maken het verband tussen de zinsdelen duidelijk. We verdelen ze in twee categorieën:
•Nevenschikkende voegwoorden: deze verbinden twee gelijkwaardige hoofdzinnen met elkaar. De vijf bekendste zijn: en, maar, of, want en dus.
•Onderschikkende voegwoorden: deze verbinden een hoofdzin met een bijzin (een zin waarin de persoonsvorm helemaal achteraan staat). Voorbeelden zijn: als, dat, hoewel, doordat, terwijl en omdat.
Taalverzorging spelling: Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd
Bij het spellen van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd volg je een vast schema. Je kijkt hiervoor altijd naar het onderwerp van de zin.
De basisregels voor spelling
De spelling van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd hangt af van de persoon:
•Bij ik (eerste persoon enkelvoud): gebruik de ik-vorm (de stam van het werkwoord). Je vindt deze door in gedachten '-en' van het hele werkwoord af te halen. Let op: als de stam eindigt op een 'v' of 'z', verandert deze in een 'f' of 's' (bijvoorbeeld: schrijven -> ik schrijf; verhuizen -> ik verhuis).
•Bij jij/je, hij, zij, het, u of een naam/enkelvoudig woord (tweede en third persoon enkelvoud): schrijf ik-vorm + t (bijvoorbeeld: jij loopt, hij schrijft).
•Bij wij, jullie, zij (meervoud): schrijf het hele werkwoord (de infinitief).
Uitzondering bij 'jij/je' achter de persoonsvorm
Als het onderwerp jij of je achter de persoonsvorm staat, moet je goed opletten:
•Als je 'je' kunt vervangen door 'jij', schrijf je alleen de ik-vorm (bijvoorbeeld: 'Vind je dat leuk?').
•Als 'je' bezittelijk is of vervangen kan worden door 'jouw' of 'jou', schrijf je ik-vorm + t (bijvoorbeeld: 'Blijft je vader thuis?').
De lopen-proef bij werkwoorden op -den
Bij werkwoorden waarvan de stam eindigt op een 'd' (zoals vinden, beantwoorden, redden, bieden, raden of houden) hoor je niet of er een extra 't' geschreven moet worden. Gebruik in dat geval de 'lopen-proef': vervang het werkwoord in gedachten door het werkwoord 'lopen'.
•Hoor je bij het werkwoord 'lopen' een 't' aan het einde (loopt)? Schrijf dan ook een 't' achter de ik-vorm van het oorspronkelijke werkwoord (bijvoorbeeld: 'Samir vindt', want 'Samir loopt').
•Hoor je geen 't' (loop)? Schrijf dan alleen de ik-vorm (bijvoorbeeld: 'Ik vind', want 'Ik loop').
Moeilijke woorden en spelling
In dit hoofdstuk is er ook aandacht voor de spelling van specifieke moeilijke woorden. Let bij het schrijven goed op de spelling van de volgende categorieën:
•Woorden met t of th (zoals 'activiteit' versus 'bibliotheek' of 'thermometer').
•Woorden met g of ch (zoals 'aardig' versus 'lichaam', 'prachtig' of 'zacht').
•Woorden met de twijfelklanken au/ou en ei/ij. Leer deze woorden als weetwoorden uit je hoofd om spelfouten te voorkomen.