Les over 5 Groen
Argumenteren
Tekstsoorten schrijven
Samenstellingen
Werkwoordspelling persoonsvorm
Werkwoordspelling overige werkwoordsvormen

Nederlands Groen: meningen, debatteren en spelling
Leerdoelen
•Je kunt het verschil tussen een mening, een argument en een conclusie uitleggen en deze herkennen in een tekst.
•Je kunt de verschillende soorten argumentatie, zoals enkelvoudige, nevenschikkende en onderschikkende argumentatie, onderscheiden en benoemen.
•Je kunt een overtuigende tekst schrijven met een duidelijke inleiding, middenstuk en slot volgens de SExI-methode.
•Je kunt de regels en standpunten in een debat herkennen en zelf actief deelnemen aan een debat.
•Je kunt overdrijving en ironie in een tekst herkennen en begrijpen.
•Je kunt samenstellingen correct spellen met de juiste tussenletters -en- of -s-.
•Je kunt werkwoorden in alle vormen en tijden correct spellen met behulp van de regels van 't ex-fokschaap.
•Je kunt uitleggen wat neologismen zijn en hoe deze nieuwe woorden worden gevormd.
Lezen: Mening, argument en conclusie
In een tekst kan een schrijver zijn persoonlijke visie delen. Een mening is wat een schrijver van iets vindt of hoe hij over een onderwerp denkt. Met een mening kun je het eens of oneens zijn. Je herkent een mening vaak aan signaalwoorden zoals: ik vind, volgens mij, naar mijn mening of ik denk. Wanneer de schrijver uitlegt waarom hij deze mening heeft, geeft hij een argument. Een argument dient als onderbouwing of bewijs voor de mening. Je herkent een argument aan signaalwoorden zoals: want, omdat, namelijk of immers. Aan het einde van een tekst trekt de schrijver vaak een conclusie. Hierin worden de mening en de belangrijkste argumenten kort herhaald. Een conclusie herken je aan signaalwoorden zoals: dus, concluderend of dat betekent.
Standpunten en soorten argumenten
Een andere term voor een mening in een betogende tekst is een standpunt. Dit is de stelling of bewering waarvan de schrijver de juistheid wil aantonen. Argumenten die dit standpunt ondersteunen, kunnen worden verdeeld in twee categorieën:
•Een feitelijk argument is gebaseerd op feiten en is controleerbaar.
•Een waarderend argument is gebaseerd op een mening, gevoel of geloof en is niet objectief controleerbaar.
In een tekst kunnen ook tegenargumenten voorkomen. Dit zijn argumenten die tegen het standpunt van de schrijver ingaan. De schrijver reageert hierop met een weerlegging, waarmee hij probeert aan te tonen dat het tegenargument onjuist of minder belangrijk is.
Soorten argumentatie
De manier waarop argumenten en standpunten met elkaar verbonden zijn, noemen we de argumentatiestructuur. We onderscheiden de volgende vormen:
•Enkelvoudige argumentatie: Het standpunt wordt ondersteund door precies één argument.

•Onderschikkende argumentatie: Een argument wordt zelf weer ondersteund door een subargument. Het subargument bewijst dus het hoofdargument.

•Nevenschikkende argumentatie: Meerdere argumenten ondersteunen samen het standpunt. Deze argumenten kunnen onafhankelijk van elkaar zijn of juist alleen in combinatie met elkaar werken.

•Gecombineerde argumentatie: Een complexe structuur die een combinatie is van nevenschikkende en onderschikkende argumentatie.
Schrijven: Een overtuigende tekst schrijven
Een overtuigende tekst is een tekst waarin je de lezer wilt overtuigen van jouw mening of standpunt. Om je mening succesvol te verdedigen, gebruik je sterke argumenten en duidelijke voorbeelden. Een goede overtuigende tekst heeft een vaste driedelige structuur:
1.Inleiding: Je introduceert het onderwerp en trekt de aandacht van de lezer. Aan het einde van de inleiding geef je kort en duidelijk je mening.
2.Middenstuk: Hierin presenteer je je argumenten. Gebruik voor elk nieuw argument een aparte alinea. Je kunt een argument overtuigender maken door de SExI-methode te gebruiken.
3.Slot: Je sluit de tekst af met een duidelijke conclusie. Hierin herhaal je kort je mening en je belangrijkste argumenten. Eindig eventueel met een prikkelende uitsmijter.
De SExI-methode voor alinea's
Om de alinea's in het middenstuk logisch op te bouwen, gebruik je de SExI-methode:
•State (stelling/kernzin): Je formuleert het hoofdargument of de kernzin van de alinea.
•Explain (uitleg): Je legt uit waarom dit argument geldig is en wat je ermee bedoelt.
•Illustrate (voorbeeld): Je geeft een concreet en herkenbaar voorbeeld om je argument te verduidelijken.
Kijken, luisteren en spreken: Het debat
Een debat is een formele woordenstrijd tussen twee partijen over een vooraf vastgestelde stelling. De ene partij is voor de stelling (de voorstanders) en de andere partij is tegen de stelling (de tegenstanders). Het doel van beide partijen is om het publiek of een jury te overtuigen met sterke argumenten en scherpe weerleggingen. Tijdens een debat leidt een gespreksleider het gesprek. De gespreksleider geeft de beurt aan de sprekers, bewaakt de tijd en zorgt ervoor dat iedereen zich aan de debatregels houdt, zoals elkaar laten uitpraten.
Zo bereid je een debat voor en voer je het uit
1.Bepaal je standpunt (voor of tegen de stelling).
2.Bedenk ten minste drie sterke argumenten om jouw standpunt te ondersteunen.
3.Verplaats je in de tegenpartij: welke argumenten gaan zij gebruiken? Bedenk vooraf hoe je hun argumenten kunt aanvallen met een weerlegging.
4.Luister tijdens het debat kritisch naar de tegenstander en reageer direct op hun argumenten met tegenargumenten.
Woordenschat: Overdrijving en ironie
Schrijvers gebruiken taaltrucjes (stijlfiguren) om hun teksten levendiger en afwisselender te maken. Twee veelvoorkomende trucjes zijn:
•Overdrijving: De schrijver maakt iets groter, mooier, erger of beter dan het in werkelijkheid is om extra de aandacht te trekken. Dit is een vorm van figuurlijk taalgebruik. Bijvoorbeeld: "We hebben eeuwen op de bus gewacht."
•Ironie: De schrijver zegt iets wat duidelijk niet serieus bedoeld is, vaak door het tegenovergestelde te beweren van wat hij werkelijk bedoelt. Bijvoorbeeld: "Wat een fantastisch weer!" (terwijl het pijpenstelen regent).
Belangrijke signaalwoorden en begrippen uit dit hoofdstuk
Begrip | Betekenis |
|---|---|
alternatief | een andere mogelijkheid |
antibiotica | geneesmiddelen die helpen tegen ziekteverwekkende bacteriën |
bepleit | verdedigde / pleitte voor |
hardnekkig | iets wat niet snel voorbijgaat / hardnekkig aanhoudt |
infectie | een besmetting waardoor je een ontsteking krijgt |
magisch | toverachtig / met een bovennatuurlijke werking |
massaal | met heel veel mensen tegelijk |
per se | beslist / absoluut |
produceert | maakt / levert op |
sterker nog | beter of krachtiger gezegd |
zonder blikken of blozen | zonder schaamte of verlegenheid |
de moeite waard | bruikbaar / waardevol genoeg om aandacht aan te besteden |
wonderen doen | erg goed helpen / een zeer positief effect hebben |
Taalverzorging: Tussenletters in samenstellingen
Een samenstelling is een nieuw woord dat wordt gevormd door twee of meer bestaande woorden aan elkaar te schrijven. In het Nederlands schrijven we samenstellingen in principe altijd aan elkaar vast. Soms moet je tussenletters gebruiken om de woorden correct te verbinden.
Wanneer gebruik je de tussenletters -en-?
Je schrijft -en- als het eerste woord een zelfstandig naamwoord is dat alleen een meervoud op -en heeft. Bijvoorbeeld: roos + geur = rozengeur. Er zijn belangrijke uitzonderingen waarbij je geen -en- (maar alleen een -e-) schrijft:
•Als het eerste woord een meervoud op -s heeft. Bijvoorbeeld: garage + bedrijf = garagebedrijf.
•Als het eerste woord zowel een meervoud op -en als op -s kan hebben. Bijvoorbeeld: groente (groenten/groentes) + soep = groentesoep.
•Als het eerste woord verwijst naar iets waarvan er maar één bestaat. Bijvoorbeeld: zonnescherm, maneschijn.
•Als het eerste deel een bijvoeglijk naamwoord versterkt. Bijvoorbeeld: apetrots, reuzesterk.
Wanneer gebruik je de tussenletter -s-?
Je schrijft een tussen-s als je deze duidelijk hoort wanneer je het woord uitspreekt. Bijvoorbeeld: beroepsvoetballer, lievelingskleur. Tip: Als het tweede woord al met een s-klank begint, vervang je dit tijdelijk door een ander woord om te horen of er een tussen-s hoort. Bijvoorbeeld: bij varkensstal hoor je de tussen-s niet direct, maar wel als je er varkensvlees van maakt. Dus schrijf je varkensstal met een tussen-s.
Taalverzorging: Werkwoordspelling
De spelling van werkwoorden hangt af van de functie van het werkwoord in de zin. We maken onderscheid tussen de persoonsvorm en de overige werkwoordsvormen.
Persoonsvorm in de tegenwoordige tijd (pvtt)
In de tegenwoordige tijd gelden de volgende regels voor de persoonsvorm:
•Enkelvoud (ik-vorm): Je schrijft alleen de stam van het werkwoord. Bijvoorbeeld: ik loop, ik vind.
•Enkelvoud (hij/zij/jij/u): Je schrijft de stam + t. Bijvoorbeeld: hij loopt, zij vindt. Let op: als jij of je achter de persoonsvorm staat, schrijf je alleen de stam. Bijvoorbeeld: vind jij, loop je.
•Meervoud (wij/jullie/zij): Je schrijft het hele werkwoord (de infinitief). Bijvoorbeeld: wij lopen, jullie vinden.
Persoonsvorm in de verleden tijd (pvvt)
In de verleden tijd maken we onderscheid tussen sterke en zwakke werkwoorden:
•Sterke werkwoorden: Deze veranderen van klank in de verleden tijd. Je schrijft ze zo kort mogelijk volgens de uitspraak. Bijvoorbeeld: lopen wordt liep(en), vinden wordt vond(en).
•Zwakke werkwoorden: Deze veranderen niet van klank. Je schrijft de stam + -te(n) of -de(n). Om te bepalen of je een t of een d schrijft, gebruik je de regel van 't ex-fokschaap.
De regel van 't ex-fokschaap
De regel van 't ex-fokschaap helpt je bepalen of de verleden tijd van een zwak werkwoord op -te(n) of -de(n) eindigt, en of het voltooid deelwoord op een -t of een -d eindigt.
1.Neem het hele werkwoord en haal daar de letters -en vanaf.
2.Kijk naar de laatste letter die overblijft (de laatste letter van de stam).
3.Staat deze letter in de medeklinkers van 't ex-fokschaap (t, x, f, k, s, ch, p)?
4.Zo ja, dan schrijf je in de verleden tijd -te(n) en eindigt het voltooid deelwoord op een -t. Bijvoorbeeld: slopen -> stam is slop (p staat in 't ex-fokschaap) -> sloopte, gesloopt.
5.Zo nee, dan schrijf je in de verleden tijd -de(n) en eindigt het voltooid deelwoord op een -d. Bijvoorbeeld: boren -> stam is bor (r staat niet in 't ex-fokschaap) -> boorde, geboord.
Belangrijk: Gebruik deze regel nooit voor de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd!
Taalweetjes: Neologismen
Taal is constant in beweging. Een neologisme is een nieuw gevormd woord in een taal. Wanneer een nieuw woord door veel mensen en gedurende langere tijd wordt gebruikt, wordt het uiteindelijk officieel opgenomen in het woordenboek. Bekende voorbeelden van neologismen zijn: smombie, appnek, appongeluk en romkom. Nieuwe woorden kunnen op verschillende manieren worden gevormd:
•Samenvoegen: Twee bestaande woorden aan elkaar plakken. Bijvoorbeeld: zooi + koorts = zooikoorts.
•Letterverandering: Bestaande woorden licht aanpassen. Bijvoorbeeld: biologische limonade wordt bionade.
•Afkorten en combineren: Delen van woorden samenvoegen. Bijvoorbeeld: romantische komedie wordt romkom.