Les over 4 Anders

Les over 4 Anders

Gemaakt door Ainstein
4 Anders
Deze video bestaat uit
  • Tekstverbanden en signaalwoordenTekstverbanden en signaalwoorden
  • Tekstsoorten schrijvenTekstsoorten schrijven
  • Bijvoeglijk naamwoordBijvoeglijk naamwoord
Verberg docent
Afspelen
Geluid uitzetten
Afspeelsnelheid
00:00 / 08:51
Ondertiteling/CC
Instellingen
Volledig scherm
Presenter poster
Onderwerpen in deze video
Meer informatie

Nederlands Anders: verslagen, grammatica en spelling

Leerdoelen

Je kunt tekstverbanden van voorbeeld en oorzaak-gevolg herkennen aan de hand van signaalwoorden.

Je kunt een correct gestructureerd schriftelijk verslag schrijven met behulp van de w+h-vragen.

Je kunt het verschil tussen feiten en meningen in een reportage of verslag onderscheiden.

Je kunt een mondeling verslag voorbereiden en presenteren met behulp van spreekkaartjes.

Je kunt de betekenis van woorden met meerdere betekenissen afleiden uit de context van een tekst.

Je kunt woordsoorten zoals werkwoorden, lidwoorden, zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voorzetsels herkennen en benoemen.

Je kunt het voltooid deelwoord correct spellen wanneer het als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt.

Verbanden en signaalwoorden

Teksten hangen samen door middel van tekstverbanden. Dit zijn de relaties tussen zinnen, alinea's of woorden. Je herkent deze verbanden aan signaalwoorden, die de lezer helpen om de structuur van de tekst te begrijpen. In dit hoofdstuk staan twee belangrijke verbanden centraal:

Een voorbeeld (ook wel toelichtend verband genoemd) geeft extra verduidelijking of illustratie bij een bewering. Je herkent dit verband aan signaalwoorden zoals: bijvoorbeeld, zo, zoals, denk aan, neem nou, onder andere.

Een oorzaak-gevolg (ook wel oorzakelijk verband genoemd) laat zien hoe de ene gebeurtenis leidt tot de andere, waarbij de oorzaak buiten de menselijke wil of invloedssfeer ligt. Je herkent dit verband aan signaalwoorden zoals: daardoor, doordat, de oorzaak hiervan is, waardoor, ten gevolge van.

Argumentatiestructuren

Wanneer je een mening onderbouwt, maak je gebruik van argumentatie. Een standpunt is de mening, stelling of bewering waarvan je de juistheid wilt aantonen. Een argument is de reden of het bewijs waarmee je het standpunt ondersteunt. Er zijn verschillende manieren om je argumenten te structureren:

Bij enkelvoudige argumentatie wordt het standpunt ondersteund door precies één argument.

Schematische weergave van enkelvoudige argumentatie waarbij één argument een standpunt ondersteunt
Schematische weergave van enkelvoudige argumentatie waarbij één argument een standpunt ondersteunt

Bij onderschikkende argumentatie wordt een argument zelf weer ondersteund door een subargument. Het hoofdargument fungeert hierbij als een soort tussenstap.

Schematische weergave van onderschikkende argumentatie waarbij een subargument het hoofdargument ondersteunt
Schematische weergave van onderschikkende argumentatie waarbij een subargument het hoofdargument ondersteunt

Bij nevenschikkende argumentatie ondersteunen meerdere argumenten gezamenlijk het standpunt. Deze argumenten kunnen onafhankelijk van elkaar zijn of juist samen een sluitend bewijs vormen.

Schematische weergave van nevenschikkende argumentatie waarbij meerdere argumenten samen het standpunt ondersteunen
Schematische weergave van nevenschikkende argumentatie waarbij meerdere argumenten samen het standpunt ondersteunen

Een verslag schrijven

Een verslag is een zakelijke of persoonlijke tekst waarin je beschrijft wat je hebt gedaan of wat er is gebeurd, zoals een experiment, een stage of een excursie. We maken onderscheid tussen twee soorten verslagen:

In een zakelijk verslag beschrijf je uitsluitend controleerbare feiten. Je eigen mening laat je hierin achterwege.

In een persoonlijk verslag schrijf je naast de feiten ook je eigen mening op. Dit kan door eerst alle feiten te noemen en in het slot je mening te geven, of door feiten en meningen gedurende de tekst af te wisselen.

Stappenplan voor het schrijven van een verslag

Om een goed gestructureerd verslag te schrijven, volg je deze stappen:

1.Verzamel vooraf alle feiten door gebruik te maken van de w+h-vragen: Wie?, Wat?, Waar?, Wanneer?, Waarom? en Hoe?.

2.Schrijf de inleiding waarin je het onderwerp introduceert en kort antwoord geeft op de belangrijkste w+h-vragen.

3.Schrijf het middenstuk waarin je de gebeurtenissen in chronologische volgorde vertelt. Gebruik signaalwoorden die de volgorde aangeven, zoals: eerst, daarna, vervolgens, tot slot.

4.Schrijf het slot waarin je een samenvatting geeft van de gebeurtenissen, vertelt wat je hebt geleerd en eventueel je mening geeft, ondersteund met ten minste één argument.

Reportages en mondeling verslag doen

Een reportage is een verslag van een actuele gebeurtenis waarbij een verslaggever ter plaatse aanwezig is. Soms gaat een verslaggever op onderzoek uit om achtergrondinformatie te geven over een specifiek onderwerp. In een reportage komen veel feiten voor, maar de geïnterviewde personen en de verslaggever zelf kunnen ook hun mening geven. Beeld en geluid worden strategisch ingezet om de kijker een duidelijk beeld te geven van de situatie.

Mondeling verslag doen

Soms moet je een presentatie houden in de vorm van een verslag. Je leest dan niet simpelweg een geschreven tekst voor, maar zorgt ervoor dat je publiek met plezier naar je luistert. Volg hierbij dit stappenplan:

1.Bepaal of je mondelinge verslag zakelijk of persoonlijk moet zijn en verzamel de benodigde feiten met de w+h-vragen.

2.Schrijf de hoofdlijnen op spreekkaartjes: noteer de inleiding voluit, het middenstuk in steekwoorden en het slot.

3.Pas je taalgebruik aan je publiek aan en zorg voor een actieve houding.

4.Maak je verslag levendig door sprekende voorbeelden te geven en materialen of afbeeldingen te tonen.

5.Praat rustig, duidelijk en luid genoeg, en zoek regelmatig oogcontact met je publiek.

6.Geef het publiek aan het einde van je presentatie de gelegenheid om vragen te stellen.

Woordenschat: Woorden met meerdere betekenissen

Sommige woorden hebben meerdere betekenissen. Welke betekenis bedoeld wordt, hangt af van de context van de zin of alinea. Als je een onbekend woord tegenkomt, kun je de betekenis vaak afleiden uit de tekst of opzoeken in een (online) woordenboek.

Voorbeelden van woorden met meerdere betekenissen

Woord
Betekenis 1
Betekenis 2
Prijzen
Beloningen voor een winnaar (meervoud van prijs)
Zeggen dat iemand of iets heel goed is (werkwoord)
Alternatief
Een andere mogelijkheid
Anders dan anders, apart
Bevestigen
Iets vastmaken of monteren
Zeggen dat iets klopt of waar is
Demonstreren
Laten zien hoe iets werkt
Protesteren tegen iets
Voorstellen
Zichzelf introduceren aan een groep
Plannen of ideeën opperen
Staat
Aanwezig zijn op een bepaalde plek
De toestand of manier waarop iets is
Depressie
Een lagedrukgebied in het weer
Een sombere, nare stemming die lang aanhoudt
Stemmen
Geluiden van pratende of zingende mensen
Je keuze uitbrengen bij een verkiezing
Boodschap
Een bericht of mededeling
Iets wat je in de winkel koopt
Mist
Weersomstandigheid met slecht zicht
Iets niet hebben of niet halen (vorm van missen)

Nieuwe begrippen uit de paragraaf

In de teksten van dit hoofdstuk komen verschillende belangrijke woorden en uitdrukkingen voor:

Delegatie: een groep mensen die namens een grotere groep komt.

Diversiteit: de aanwezigheid van veel verschillende aspecten of kenmerken (verschillend mogen zijn).

Gelijkwaardig: van gelijke waarde, even goed.

In ontvangst nemen: iets officieel aannemen of aanpakken.

Missie: een bijzondere opdracht of een belangrijk doel dat je wilt bereiken.

Ongeacht: zonder te letten op, onafhankelijk van.

Positieve: hoopvolle, constructieve instelling.

Prothese: een kunstmatig hulpmiddel dat een ontbrekend lichaamsdeel vervangt.

Slimme zet: een slimme, doordachte actie of daad.

Amputatie: het operatief verwijderen van een lichaamsdeel.

Inspireren: iemand op goede gedachten of creatieve ideeën brengen.

Fenomenale: buitengewone, indrukwekkende of geweldige prestatie.

Optie: een keuzemogelijkheid.

Opgeleverd: wat het heeft opgebracht of als resultaat heeft gehad.

Daarnaast kan taalgebruik figuurlijk zijn. De uitdrukking ze liet iedereen een poepje ruiken betekent bijvoorbeeld dat ze iedereen versteld deed staan door een bijzondere prestatie te leveren.

Grammatica: Woordsoorten

Zinnen zijn opgebouwd uit losse woorden die elk tot een bepaalde woordsoort behoren. Het correct herkennen en benoemen van deze woordsoorten is een belangrijk onderdeel van de Nederlandse grammatica.

De belangrijkste woordsoorten op een rij

Een werkwoord (ww) zegt wat iets of iemand doet of wat er gebeurt. Werkwoorden kunnen in verschillende vormen voorkomen (zoals de persoonsvorm of het deelwoord). We onderscheiden drie categorieën:

Het zelfstandig werkwoord (zww) geeft de belangrijkste handeling in de zin aan en kan als enig werkwoord in de zin voorkomen.

Het koppelwerkwoord (kww) koppelt een eigenschap of toestand aan het onderwerp (zoals: zijn, blijven, lijken, heten, voorkomen, worden, blijken, schijnen, dunken).

Het hulpwerkwoord (hww) helpt het hoofdwerkwoord om de zin te vormen en staat meestal vóór het hoofdwerkwoord.

Een lidwoord (lw) hoort altijd bij een zelfstandig naamwoord. Er zijn twee typen:

Het bepaald lidwoord (de, het) verwijst naar een specifiek persoon of ding.

Het onbepaald lidwoord (een) verwijst naar een willekeurig, niet-specifiek persoon of ding.

Een zelfstandig naamwoord (zn) is een woord voor een mens, dier, plant, ding, plaats, gevoel of gebeurtenis. Je kunt er meestal een lidwoord voor zetten, er een verkleinwoord van maken of het in het meervoud zetten. Ze vallen uiteen in:

Een concreet zelfstandig naamwoord: tastbare zaken die je kunt aanraken (bijvoorbeeld: auto, krokodil, ring).

Een abstract zelfstandig naamwoord: niet-tastbare zaken zoals gevoelens, tijdruimtes of gebeurtenissen (bijvoorbeeld: boosheid, maand, botsing).

Een eigennaam: specifieke namen van personen of plaatsen die met een hoofdletter worden geschreven (bijvoorbeeld: Wouter, Amsterdam).

Een bijvoeglijk naamwoord (bn) vertelt iets over de eigenschap of toestand van een zelfstandig naamwoord. Het kan direct vóór het zelfstandig naamwoord staan (de blauwe trui) of erachter (de trui is blauw).

Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord geeft aan van welk materiaal iets gemaakt is (bijvoorbeeld: de zilveren ring, de plastic beker). Deze eindigen vaak op -en en kennen geen trappen van vergelijking.

Een voorzetsel (vz) is een kort woord dat een relatie in tijd, plaats of oorzaak aangeeft (bijvoorbeeld: in, op, na, tijdens, door, naar, voor). Je kunt ze vaak herkennen omdat ze voor 'de kast' of 'het feest' passen (in de kast, tijdens het feest).

Spelling: Het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord

Je kunt een voltooid deelwoord gebruiken als een bijvoeglijk naamwoord om een eigenschap van een zelfstandig naamwoord te beschrijven. De belangrijkste regel hiervoor is: schrijf het woord zo kort mogelijk.

Spellingregels en voorbeelden

Je voegt alleen een extra -d- of -t- toe als dat noodzakelijk is voor de uitspraak van het woord (meestal om de klinker kort te houden).

De tomaten zijn verrot. (voltooid deelwoord) → De verrotte tomaten. (bijvoeglijk naamwoord)

Het hert is gered. (voltooid deelwoord) → Het geredde hert. (bijvoeglijk naamwoord)

De kleding is besteld. (voltooid deelwoord) → De bestelde kleding. (bijvoeglijk naamwoord)

De wedstrijd is gewonnen. (voltooid deelwoord) → De gewonnen wedstrijd. (bijvoeglijk naamwoord)

Verschil met het onvoltooid deelwoord

Let op het verschil met het onvoltooid deelwoord dat als bijvoeglijk naamwoord wordt gebruikt. Dit geeft een actieve, voortdurende handeling aan en eindigt altijd op -end of -ende:

Het gestolen geld (voltooid deelwoord: het geld is al gestolen) versus de stelende kinderen (onvoltooid deelwoord: de kinderen zijn nu aan het stelen).

Het verwoeste huis (voltooid deelwoord) versus de verwoestende storm (onvoltooid deelwoord).