Les over Taalverzorging - Samengestelde zinnen
Hoofd- en bijzin

Hoe herken je een samengestelde zin en het onderwerp?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen wat een samengestelde zin is.
•Je kunt de persoonsvormen en onderwerpen in een samengestelde zin vinden.
•Je kunt korte zinnen met een voegwoord samenvoegen tot een samengestelde zin.
•Je kunt bepalen wanneer je een onderwerp in een samengestelde zin mag weglaten.
Wat is een samengestelde zin?
In de Nederlandse grammatica maken we onderscheid tussen verschillende soorten zinnen. Een enkelvoudige zin heeft slechts één onderwerp en één persoonsvorm. Een samengestelde zin is een zin met twee of meer persoonsvormen. Bij elke persoonsvorm hoort een eigen onderwerp. In een samengestelde zin kunnen naast de persoonsvormen ook nog andere werkwoorden staan die geen persoonsvorm zijn.
Zinnen verbinden met een voegwoord
Je kunt van twee korte, enkelvoudige zinnen één samengestelde zin maken door ze aan elkaar te verbinden met een voegwoord. Voorbeelden van voegwoorden zijn: en, maar, of, toen, want en omdat. Soms verandert de volgorde van de woorden in het tweede deel van de zin wanneer je een voegwoord gebruikt:
•Korte zinnen: Daan koopt een nieuwe telefoon. Zijn oude is kapot.
•Samengestelde zin: Daan koopt een nieuwe telefoon, omdat zijn oude kapot is. (De persoonsvorm is verplaatst naar het einde van de zin).
Persoonsvormen en onderwerpen vinden
Om de structuur van een samengestelde zin te begrijpen, moet je de persoonsvormen en onderwerpen kunnen vinden. Dit doe je met de volgende stappen:
1.Zet de zin in een andere tijd (van tegenwoordige tijd naar verleden tijd, of andersom). De werkwoorden die veranderen, zijn de persoonsvormen.
2.Stel bij elke gevonden persoonsvorm de vraag: wie of wat + persoonsvorm? Het antwoord op deze vraag is het bijbehorende onderwerp.
Neem bijvoorbeeld de zin: Yiminah bewaart alle leuke mails, zodat ze die later nog eens door kan lezen. Als we deze zin in de verleden tijd zetten, verandert bewaart in bewaarde en kan in kon. Dit zijn dus de twee persoonsvormen. De onderwerpen vind je door te vragen: Wie bewaart? (Yiminah) en Wie kan? (ze).
Onderwerp weglaten
In sommige samengestelde zinnen mag je het onderwerp in het tweede deel weglaten. Dit doe je alleen als het onderwerp in beide delen van de zin precies hetzelfde is. Bijvoorbeeld: Josha pakt de pan en brandt haar vingers. In het tweede deel (en brandt haar vingers) is het onderwerp (Josha) weggelaten, omdat zij degene is die zowel de pan pakt als haar vingers brandt.