Les over 2 Vroeger
Tekstdoelen
Tekstsoorten schrijven
Woordenschat: onbekende woorden en beeldspraak
Hoofd- en bijzin

Vroeger: tekstdoelen, zakelijke e-mails en grammatica
Leerdoelen
•Je kunt het tekstdoel en het beoogde publiek van een tekst bepalen.
•Je kunt de kenmerken van verschillende tekstdoelen, zoals informeren, overtuigen en amuseren, benoemen.
•Je kunt een correcte en beleefde zakelijke e-mail schrijven volgens de vaste richtlijnen voor inhoud en vorm.
•Je kunt op een constructieve manier feedback geven en gepast reageren wanneer je feedback krijgt.
•Je kunt de betekenis van onbekende, officiële woorden in een tekst achterhalen of opzoeken.
•Je kunt de persoonsvormen en onderwerpen in samengestelde zinnen identificeren.
•Je kunt de persoonsvormen in samengestelde zinnen correct spellen in de tegenwoordige en verleden tijd.
Tekstdoel en publiek
De schrijver van een tekst wil altijd iets bereiken bij de lezer. Dit noemen we het tekstdoel. Om dit doel te bereiken, moet de schrijver rekening houden met de groep voor wie hij schrijft: het publiek (of de doelgroep). Je kunt het publiek herkennen aan het onderwerp, de bron, de lay-out en het taalgebruik.
De verschillende tekstdoelen
In de onderstaande tabel staan de belangrijkste tekstdoelen met de bijbehorende bedoeling van de schrijver en voorbeelden:
Tekstdoel | De schrijver wil... | Voorbeelden |
|---|---|---|
Informeren | dat je ergens iets over te weten komt | nieuwsbericht, schoolboektekst, artikel |
Overtuigen | dat je dezelfde mening krijgt als hij | reactie op een website, ingezonden brief in een krant |
Overhalen (tot handelen aanzetten) | dat je iets gaat doen | advertentie, uitnodiging, reclamefolder |
Instrueren | uitleggen hoe je iets moet doen | gebruiksaanwijzing, recept, handleiding, stappenplan |
Adviseren | je raad of advies geven | folder van de apotheek, adviesbrief |
Amuseren | dat je je vermaakt of ontspant | verhaal, strip, gedicht, mop, raptekst |
Een zakelijke e-mail schrijven
Als je een vraag wilt stellen of iets wilt meedelen aan iemand die je niet persoonlijk kent, schrijf je een zakelijke e-mail. Dit doe je bijvoorbeeld als je een klacht hebt over een product, een abonnement wilt opzeggen of informatie zoekt voor een schoolproject. Een zakelijke e-mail moet aan vaste richtlijnen voldoen voor zowel de inhoud als de vorm.
Inhoud van een zakelijke e-mail
•Inleiding: Leg hierin uit waarom je de e-mail schrijft. Dit noem je de aanleiding. Vertel indien nodig ook kort wie je bent.
•Middenstuk: Geef hierin meer gedetailleerde informatie of stel je concrete vragen. Als je een bijlage meestuurt, noem je deze bijlage expliciet in de tekst.
•Slot: Spreek in de laatste alinea een duidelijke wens of verwachting uit, zoals: "Ik hoop snel een antwoord van u te krijgen."
Vorm van een zakelijke e-mail
•Onderwerpregel: Vul deze altijd in met een korte, duidelijke omschrijving van het onderwerp.
•Aanhef: Begin met een beleefde aanhef, zoals "Geachte heer of mevrouw," of "Geachte mevrouw Meppelink,", gevolgd door een komma. De eerste alinea die hierop volgt, begint met een hoofdletter.
•Witregels: Gebruik duidelijke witregels tussen alle onderdelen van de e-mail om de tekst overzichtelijk te houden.
•Aanspreekvorm: Spreek de ontvanger altijd aan met 'u' en gebruik beleefde, formele taal.
•Afsluiting: Sluit af met een beleefde groet, gevolgd door een komma en je voor- en achternaam op de regel daaronder (bijvoorbeeld: "Met vriendelijke groet, Jay van Vleuten"). Zet indien nodig je adres of telefoonnummer onder je naam.
Feedback geven en krijgen
De reacties die je van anderen krijgt op jouw gedrag of prestaties, noem je feedback. Feedback kan positief of negatief zijn en is altijd bedoeld om de ander te helpen of te laten leren. Het is nadrukkelijk geen persoonlijke aanval of scheldpartij.
Zo geef je feedback
•Leg duidelijk uit op welk specifiek gedrag je feedback geeft en leg uit wat er volgens jou de volgende keer beter kan.
•Spreek altijd vanuit jezelf om beschuldigend taalgebruik te voorkomen (bijvoorbeeld: "Ik zou graag willen dat je naar mij luistert" in plaats van "Jij luistert nooit naar mij").
•Blijf positief, constructief en vriendelijk.
Zo reageer je als je feedback krijgt
Fout gedrag bij feedback | Goed gedrag bij feedback |
|---|---|
Direct tegenspreken of in de verdediging schieten | Luister goed en laat de ander rustig uitspreken |
Boos of gefrustreerd worden | Rustig blijven en de feedback overdenken |
Niets meer zeggen of de situatie negeren | Nadenken voordat je reageert en doorvragen om verduidelijking |
De ander niet meer aankijken | De ander geïnteresseerd en open aankijken |
Officieel taalgebruik
In officiële brieven, formulieren en zakelijke teksten wordt vaak gebruikgemaakt van officieel taalgebruik. Dit zijn moeilijke, deftig klinkende woorden. Om deze teksten goed te begrijpen, is het belangrijk om de betekenis van deze woorden te achterhalen of op te zoeken in een (online)woordenboek.
Lijst met officiële woorden en hun betekenis
•Factuur: rekening
•Gedurende: tijdens
•In de gelegenheid stellen: de kans geven om iets te doen
•Werkzaamheden: werk of taken
•In eerste instantie: in het begin of als eerste reactie
•Ondergetekenden: de personen die hun handtekening onder een document zetten
•Zeldzaamheid: iets wat heel weinig voorkomt
•Van oorsprong: oorspronkelijk / in het begin
•Thans: nu / vandaag de dag
•Reeds: al
•Daadwerkelijk: echt / in werkelijkheid
•Monumentaal: indrukwekkend groot en historisch belangrijk
•Besloten: alleen toegankelijk voor genodigden (niet openbaar)
•Aanvankelijk: in het begin / eerst
•Verfraaid: versierd of mooier gemaakt
•Voormalig: vroeger
•Nabijgelegen: dichtbij
•Abusievelijk: per ongeluk
•Inzake: over / wat betreft
•Desondanks: toch / ondanks dat
•De handen ineenslaan: samenwerken
•Compensatie: een vergoeding of goedmaker
•Aftakking: een zijweg of zijspoor
•Salon: een deftige kamer waarin gasten worden ontvangen
•Guirlandes: slingers gemaakt van bloemen en bladeren
•Virtueel: denkbeeldig of digitaal (bijvoorbeeld via een computer)
•Platteland: een rustige streek buiten de stad met weilanden en boerderijen
Grammatica: Samengestelde zinnen
Een zin met slechts één persoonsvorm en één onderwerp is een enkelvoudige zin. Zinnen die twee of meer persoonsvormen bevatten, noemen we samengestelde zinnen. In een samengestelde zin hoort bij elke persoonsvorm een eigen onderwerp.
Verbinden met een voegwoord
Je kunt twee korte zinnen samenvoegen tot een samengestelde zin met behulp van een voegwoord (zoals en, maar, of, want, omdat, zodat, terwijl). Let op: de woordvolgorde in het tweede deel van de zin kan hierdoor veranderen.
Persoonsvorm en onderwerp vinden
1.Vind de persoonsvorm (pv): Zet de zin in een andere tijd (van tegenwoordige naar verleden tijd, of andersom). De werkwoorden die veranderen, zijn de persoonsvormen.
2.Vind het onderwerp (ow): Stel bij elke gevonden persoonsvorm de vraag: Wie of wat + persoonsvorm? Het antwoord hierop is het onderwerp.
In sommige samengestelde zinnen mag je het onderwerp in het tweede deel weglaten als dit onderwerp precies hetzelfde is als in het eerste deel (bijvoorbeeld: "Josha pakt de pan en [zij] brandt haar vingers").
Spelling: Persoonsvormen in samengestelde zinnen
Bij het correct spellen van de persoonsvormen in een samengestelde zin volg je systematisch drie stappen:
1.Kijk of je de tegenwoordige tijd (tt) of de verleden tijd (vt) moet gebruiken: Zoek naar signaalwoorden in de zin die de tijd aangeven, zoals 'gisteren', 'toen' of 'vroeger' voor de verleden tijd, en 'nu' of 'morgen' voor de tegenwoordige tijd.
2.Kijk of je enkelvoud of meervoud moet gebruiken: Zoek de onderwerpen die bij de persoonsvormen horen en bepaal of deze in het enkelvoud of meervoud staan.
3.Vul de juiste vorm van het werkwoord in:
•Tegenwoordige tijd: Gebruik de stam (ik-vorm), stam+t (bij jij, u, hij, zij, het), of het hele werkwoord (bij meervoud). Let op: je krijgt geen stam+t als 'je' of 'jij' achter de persoonsvorm staat (bijvoorbeeld: "Gooi jij...").
•Verleden tijd: Bepaal of het werkwoord zwak of sterk is. Zwakke werkwoorden krijgen stam + -de(n) of -te(n) (gebruik hiervoor de regels van 't kofschip-x). Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd.