Vraag 14
Met opgeheven hoofd je examens in
  • Oefen de examens van de afgelopen 8 jaar, met uitleg van docenten bij elke vraag
  • Extra uitleg en oefenen bij elk onderwerp uit je examen
  • Loop je vast? Ainstein, je AI-tutor, kijkt met je mee en helpt je verder
4 punten
Open vraag

De grootte van de viscositeit is$1{,}828 \cdot 10^{-5}, uitgedrukt in SI-eenheden.


De bolvormige druppel valt met een constante valsnelheid. Door deze snelheid te meten kan de straal van een druppel bepaald worden. Voor de straal geldt dan:

r=\sqrt{\frac{9 \eta v}{2 g \rho_{\text {olie }}}}(2)

Hierin is:

$gde valversnelling

$\rho_{\text {olie }}de dichtheid van de olie

De overige grootheden zijn dezelfde als in formule (1).


Tijdens het vallen werkt er eigenlijk nog een tweede omhoog gerichte kracht op de druppel. Dit is de opwaartse kracht. De grootte van deze kracht is gelijk aan de zwaartekracht op de hoeveelheid lucht die door de druppel wordt verplaatst. Het volume van de verplaatste lucht is dus gelijk aan het volume van de oliedruppel. De opwaartse kracht is verwaarloosbaar klein ten opzichte van de zwaartekracht op de druppel. Millikan vond voor de druppel een valsnelheid van0{,}084\text{ cm s}^{-1}. De straal van de druppel is dan gelijk aan2{,}7\,\mu\text{m}.

Voer de volgende opdrachten uit:

Toon aan dat de dichtheid van de olie, die Millikan gebruikte, gelijk is aan9{,}7\cdot10^2\text{ kg m}^{-3}.

Leg uit dat de opwaartse kracht verwaarloosbaar is ten opzichte van de zwaartekracht op de druppel.

Op deze pagina behandelen we vraag 14 van het centraal examen natuurkunde vwo 2025 tijdvak 2. Deze vraag is onderdeel van Experiment van Millikan, en is 4 punten waard.

Je kunt hier zelf het antwoord invullen en vervolgens direct de uitwerking en uitleg bekijken.

Daarnaast kun je:

  • Oude antwoorden terugzien
  • Extra uitleg vragen aan onze AI-hulp via de knop "Stel je vraag"
  • Klikken op de bijbehorende onderwerpen uit de examenroute om verdieping te vinden