G.P. Thomson toonde experimenteel elektronendiffractie aan. Hij liet zien dat er een interferentiepatroon ontstaat als elektronen op een stukje vaste stof geschoten worden. Hiermee toonde hij aan dat elektronen een golfkarakter hebben. In 1937 ontving hij hiervoor de Nobelprijs.
Bob en Marly gaan het experiment van Thomson uitvoeren met een elektronendiffractiebuis. Zij willen daarmee de afstanden tussen de atomen in grafiet bepalen. Zij gebruiken de opstelling die weergegeven is in figuur 1.

De gloeikathode levert elektronen. Deze elektronen hebben een verwaarloosbare snelheid. De elektronen doorlopen een versnelspanning die variabel is tot10\operatorname{\mathrm{k}\mathrm{V}}10\operatorname{\mathrm{k}\mathrm{V}\mathrm{m}}1010\operatorname{\mathrm{k}\mathrm{V}\mathrm{m}}1010\operatorname{\mathrm{k}\mathrm{V}\mathrm{m}}10\operatorname{\mathrm{km}}10k1010k. De elektronen gaan door het stukje grafiet, waarna ze op een fosforscherm een interferentiepatroon geven. Dit interferentiepatroon kan worden verklaard doordat de elektronen een golfkarakter vertonen.
Voor de debroglie-golflengte van de elektronen geldt:
\lambda=\frac{h}{\sqrt{2 e m U}} (1)
Hierin is:
•$hde constante van Planck;
•$ede lading van het elektron;
•$mde massa van het elektron;
•$Ude versnelspanning.




