Wat is het verschil tussen een systematische naam en een triviale naam?
Leerdoelen
•Je kunt systematische namen opstellen aan de hand van een gegeven molecuulformule.
•Je kunt een molecuulformule opschrijven aan de hand van een gegeven systematische naam.
•Je kunt een verbrandingsreactie opstellen.
•Je kunt een reactievergelijking opstellen.
Scheikundige namen
Stel je voor, je doet onderzoek naar een bepaalde stof en je wilt je bevindingen delen met klasgenoten of andere scheikundigen. Als iedereen zijn eigen naam voor die stof gebruikt, ontstaat er snel verwarring. Je weet dan niet over welke stof de ander het heeft! Daarom is er een speciale 'scheikundige taal' bedacht. Deze taal gebruikt systematische namen voor alle stoffen. Zo weet iedereen precies welke stof bedoeld wordt, waar ter wereld je ook bent. Het maakt samenwerken en onderzoek doen veel makkelijker en duidelijker.
Triviale namen
Naast de officiële, systematische namen zijn er ook triviale namen. Dit zijn de gewone, alledaagse namen die we in onze dagelijkse taal gebruiken. Denk maar aan water. Iedereen weet wat water is. De molecuulformule voor water is H₂O en het heeft ook een ingewikkeldere systematische naam. ‘Water’ is heel bekend en daarom gebruiken we die naam. Triviale namen zijn handig, omdat ze simpel zijn en iedereen ze kent, maar voor wetenschappelijk werk zijn systematische namen onmisbaar.
Systematische namen opstellen
Om systematische namen op te stellen, moet je een paar regels kennen. Hierdoor weet je altijd hoe je een naam moet bouwen of ontcijferen.
Telwoorden: Griekse getallen
Voor de systematische naamgeving gebruiken we Griekse telwoorden om aan te geven hoe vaak een atoomsoort in de molecuulformule voorkomt. Meestal moet je de eerste vijf kennen, maar je docent kan vragen om er meer te leren.
Getal | Telwoord |
|---|---|
1 | mono |
2 | di |
3 | tri |
4 | tetra |
5 | penta |
Uitgangsnamen: de 'ide'-familie
Het laatste element in de naam krijgt een speciale uitgangsnaam. Deze eindigt vaak op '-ide'. Dit gebeurt alleen als het element als laatste wordt genoemd in de molecuulformule. Hier zijn een paar voorbeelden:
Stof | Uitgangsnamen |
|---|---|
O | oxide |
Cl | chloride |
S | sulfide |
F | fluoride |
I | jodide |
P | fosfide |
Geen 'mono' aan het begin
Als het éérste element in een formule maar één keer voorkomt (dus een '1' zou krijgen), schrijven we daar geen 'mono-' voor. Het ziet er niet mooi uit als een naam met 'mono' begint, en het is duidelijk genoeg dat het er maar één is als er geen telwoord staat. Voor alle andere elementen en plaatsen gebruik je wel 'mono-' als het er maar één is.
Voorbeeld: NaCl₂
Laten we oefenen met een voorbeeld: Wat is de systematische naam van NaCl₂?
Stap 1: De stoffen benoemen.
•Na is natrium.
•Cl is chloor, maar omdat het als laatste element staat, krijgt het de uitgangsnaam chloride.
Stap 2: Telwoorden geven.
•Natrium (Na) staat alleen en helemaal vooraan. Volgens de regels zetten we hier geen 'mono-' voor.
•Chloor (Cl) heeft een index twee (Cl₂). Dat betekent dat er twee chlooratomen zijn. Het Griekse telwoord voor twee is 'di-'. Dus wordt het dichloride.
Stap 3: Combineren. Plak de delen aan elkaar: natrium + dichloride = natriumdichloride.
Voorbeeld: fosforpentabromide
Nu doen we het andersom. Hoe schrijf je de molecuulformule op van fosforpentabromide?
Stap 1: De symbolen van stoffen benoemen.
•Fosfor heeft als symbool P.
•Bromide is de uitgangsnaam van broom, met als symbool Br.
Stap 2: Telwoorden omzetten in getallen.
•Fosfor: Er staat geen 'mono-' of een ander telwoord voor fosfor, dus er is maar één fosforatoom. We schrijven het getal 1 niet in de molecuulformule.
•Penta hoort bij bromide. 'Penta' betekent vijf. Dus er zijn vijf broomatomen. Dit schrijven we als Br₅.
Stap 3: Combineren. Plak de symbolen met de juiste indexen aan elkaar: PBr₅.
Reacties opschrijven
Systematische namen en molecuulformules zijn superhandig als je scheikundige reacties wilt opschrijven en begrijpen.
Reactieschema's
Je kunt een reactie op twee manieren opschrijven. De eerste manier is met een reactieschema. Hierin gebruik je de volledige stofnamen (systematisch of triviaal). Bijvoorbeeld: Methaan → koolstof + waterstof
Voorbeeld: verbrandingsreactie
Verbranding is een reactie met zuurstof erbij:
Brandstof + zuurstof → verbrandingsproducten
De verbrandingsproducten zijn vaak bekende stoffen zoals koolstofdioxide (een systematische naam) en water (een triviale naam).
Reactievergelijkingen
De tweede en meest gebruikte manier is een reactievergelijking. Hierin gebruik je niet de namen, maar de molecuulformules (de letters en cijfers). Bijvoorbeeld: CH₄ → C + H₂
Bij een reactievergelijking zet je altijd nog twee dingen erbij:
1.Fasen: Achter elke stof zet je tussen haakjes de fase waarin de stof zich bevindt:
1.(s) voor vast (solidum)
2.(l) voor vloeibaar (liquidum)
3.(g) voor gas (gas)
4.(aq) voor opgelost in water (aqua)
2.Kloppend maken: Je moet zorgen dat er voor en na de reactie evenveel atomen van elke soort zijn. Dit doe je door grote getallen (de coëfficiënten) vóór de molecuulformules te zetten. Dit kloppend maken heb je ook al geoefend.
Oefening: wat is de systematische naam van P₂S₅?
Nu je alle regels kent, kun je de volgende vraag beantwoorden: wat is de systematische naam van P₂S₅?
We volgen de drie stappen:
Stap 1: De stoffen benoemen.
•P is fosfor.
•S is zwavel, maar omdat het als laatste element staat, krijgt het de uitgangsnaam sulfide.
Stap 2: Telwoorden geven.
•Fosfor (P) heeft een index twee (P₂). Twee is 'di-'. Dus difosfor.
•Zwavel (S) heeft een index vijf (S₅). Vijf is 'penta-'. Dus pentasulfide.
Stap 3: Combineren. Plak de delen aan elkaar: Difosfor + pentasulfide = difosforpentasulfide.














