Een docent wil demonstreren dat natrium reageert met water. Hierbij gebruikt hij de zuurkast. Hij vult een groot bekerglas met 250 mL water.
Vervolgens haalt hij een stukje natrium uit de olie, wrijft dit schoon en weegt het. Daarna doet hij het stukje in het water. Een heftige reactie vindt plaats. De docent noteert de bijbehorende vergelijking:
2\mathrm{Na}(\mathrm{s})+2\mathrm{H}_2\mathrm{O}(\mathrm{l})\rightarrow2\mathrm{Na}^{+}(\mathrm{aq})+2\mathrm{OH}^{-}(\mathrm{aq})+\mathrm{H}_2(\mathrm{g})2\mathrm{Na}(\mathrm{s})+2\mathrm{H}_2\mathrm{O}(\mathrm{l})\rightarrow2\mathrm{Na}^{+}(\mathrm{aq})+2\mathrm{OH}^{-}(\mathrm{aq})+\mathrm{H}_2(\mathrm{~g})2 \mathrm{Na}(\mathrm{~s})+2 \mathrm{H}_{2} \mathrm{O}(\mathrm{l}) \rightarrow 2 \mathrm{Na}^{+}(\mathrm{aq})+2 \mathrm{OH}^{-}(\mathrm{aq})+\mathrm{H}_{2}(\mathrm{~g})
De docent vertelt dat de heftigheid komt doordat het gevormde waterstofgas onmiddellijk explosief reageert met zuurstof uit de lucht.
Vervolgens herhaalt hij de proef. Hij weegt een stukje natrium af dat exact even zwaar is als de eerste keer. Hij snijdt dit in twee gelijke stukken en doet beide stukjes in water. Het effect van de reactie is deze keer heftiger.