1.Een docent maakt een opstelling voor een demonstratieproef.
2.In de erlenmeyer doet hij achtereenvolgens zoutzuur, een paar
3.druppels methyloranje en een klein schepje calciumcarbonaat.
4.Direct daarna sluit hij de erlenmeyer af met een kurk waar
5.een glasbuisje doorheen steekt met een slangetje eraan.
6.Het slangetje leidt naar een maatcilinder die helder
7.kalkwater bevat. Doordat in de erlenmeyer
8.calciumcarbonaat reageert met zoutzuur ontstaat
9.koolstofdioxide (reactie I). Dit gas reageert vervolgens
10.met de vloeistof in de maatcilinder (reactie II).

