Leerdoelen
•Je kunt de algemene opbouw van een examen beschrijven.
•Je kunt aan de hand van het examenvoorblad berekenen hoeveel tijd je gemiddeld per punt hebt.
•Je kunt een persoonlijke examenstrategie bepalen op basis van je sterke punten.
•Je kunt een gestructureerde aanpak toepassen om een examenvraag te beantwoorden.
•Je kunt de GGO-methode correct toepassen bij berekeningsvragen.
•Je kunt bij berekeningen altijd de formule, berekening en eenheid noteren.
•Je kunt bij uitlegvragen belangrijke begrippen gebruiken en controleren of je de vraag volledig hebt beantwoord.
Voorblad
Voordat je begint met een examen, is het slim om altijd goed te kijken naar het voorblad. Hierop vind je belangrijke informatie die je helpt bij het plannen van je tijd. Op het voorblad staat meestal:
•het aantal vragen
•het totaal aantal te behalen punten
•de beschikbare tijd
•de datum
•algemene regels
De belangrijkste dingen om te weten zijn hoe lang je de tijd hebt, hoeveel vragen er zijn en hoeveel punten je kunt verdienen. Deze informatie helpt je bij het maken van een plan. De meeste examens duren twee uur (120 minuten), tenzij je extra tijd hebt gekregen.

Tijdmanagement
Met de informatie van het voorblad kun je berekenen hoeveel tijd je ongeveer per punt of per vraag hebt. Dit is handig om je tijd goed in te delen.
Rekenvoorbeeld: Stel, je examen heeft:
•37 vragen
•69 punten
•120 minuten tijd
Dan bereken je de tijd per punt zo:
Dit betekent dat ieder punt dat je kunt verdienen, ongeveer 1,7 minuten in beslag neemt. Voor het gemak kun je rekenen met ongeveer twee minuten per punt. Een punt staat vaak voor één reken- of denkstap. Als je dit weet, kun je beter inschatten hoeveel tijd je aan een vraag moet besteden.
Jouw examenstrategie
Je hoeft niet per se met vraag 1 te beginnen. Het is slim om eerst even door het hele examen te bladeren.
1.Bepaal je sterke punten: Waar ben je goed in? Waar heb je vertrouwen in? Begin met die vragen. Zo bouw je zelfvertrouwen op en dat helpt je voor de rest van je examen.
2.Kies je startpunt: Waar heb je zin in? Dat kan ook een goede reden zijn om te beginnen.
3.Duidelijk aangeven: Als je niet met vraag 1 begint, schrijf dan duidelijk het nummer van de vraag op die je aan het maken bent. Als je begint met vraag 8, zet dan duidelijk 'Vraag 8' boven je antwoord. De docent snapt dan precies welke vraag je beantwoordt.
Vragen aanpakken
Als je eenmaal hebt gekozen met welke vraag je begint, is het belangrijk om gestructureerd te werk te gaan.
Algemene aanpak
1.Scan de titel: Waar zou de vraag over kunnen gaan? Welk onderwerp verwacht je?
2.Kijk naar afbeeldingen: Staan er plaatjes of grafieken bij de vraag? Wat zie je? Misschien weet je dan al meteen waar de vraag over gaat en of je er goed in bent.
3.Lees eerst de vraag: Lees eerst de concrete opdracht (die vaak onderaan de opgave staat) en nog niet de informatieve tekst die erboven staat. Zo weet je precies wat er van je verwacht wordt.
4.Denk na: Kun je de vraag beantwoorden zonder de bijbehorende tekst te lezen?
•Ja: Beantwoord de vraag direct.
•Nee: Lees dan de tekst en beantwoord de vraag.
5.Controleer: Heb je de vraag daadwerkelijk beantwoord en niet iets heel anders opgeschreven?
Berekeningsvragen met de GGO-methode
Bij berekeningsvragen is het heel belangrijk om je stappen goed op te schrijven. Hiervoor kun je de GGO-methode gebruiken: Gegeven, Gevraagd, Oplossing.
•Gegeven: Schrijf alle gegevens uit de tekst op die je nodig hebt voor de berekening. Je kunt ze ook markeren in de tekst, want je mag gewoon op je examen schrijven.
•Gevraagd: Wat wordt er precies gevraagd? Noteer dit duidelijk. Zet er alvast de verwachte grootheid en de bijbehorende eenheid bij, dan vergeet je die later niet. Bijvoorbeeld: gevraagd: de snelheid (in m/s).
•Oplossing:
1.Formule: Welke formule ga je gebruiken? Schrijf deze op. Docenten geven hier vaak al punten voor.
2.Berekening: Vul de gegevens in de formule in en voer de berekening uit.
3.Rekenmachine: Gebruik altijd je rekenmachine, zelfs bij simpele sommen zoals 1 keer 1. Onder examendruk maak je sneller fouten. Controleer ook goed of je de juiste getallen hebt ingetypt.
4.Eenheid: Vergeet niet om de juiste eenheid bij je eindantwoord te zetten. Zonder eenheid is het maar een getal en heeft het niks met NaSk te maken. Bijvoorbeeld: 10 meter per seconde (10 m/s), niet alleen '10'.
Uitlegvragen
Uitlegvragen vragen vaak om meer dan alleen een antwoord; je moet laten zien dat je de stof begrijpt.
1.Analyseer de vraag: Wat wordt er precies van je gevraagd?
•Staat er 'Leg uit'? Dan moet je de situatie verklaren.
•Staat er 'Waarom'? Dan geef je de reden.
•Staat er 'Wat is het verband tussen'? Dan beschrijf je hoe twee dingen elkaar beïnvloeden, bijvoorbeeld: 'Als de ene grootheid groter wordt, wordt de andere kleiner' of 'Het verband is dat de kracht twee keer zo groot wordt als de massa verdubbelt.'
2.Gebruik NaSk-begrippen: In je uitleg moet je de belangrijke begrippen gebruiken die bij het onderwerp horen. Hier krijg je ook punten voor.
3.Controleer je antwoord: Controleer of je antwoord de vraag daadwerkelijk beantwoordt en of het logisch, duidelijk en relevant is.













