Welke twee soorten grondrechten onderscheiden we in de Nederlandse grondwet?
Leerdoelen
•Je kunt de opbouw van de Grondwet beschrijven.
•Je kunt het verschil tussen klassieke grondrechten en sociale grondrechten uitleggen en van beide typen voorbeelden noemen.
•Je kunt uitleggen hoe grondrechten onderling kunnen botsen en welke rol de rechter hierin speelt.
De Grondwet
De basis van onze huidige Grondwet werd gelegd in 1848, een cruciaal moment in de Nederlandse geschiedenis. Destijds was het Thorbecke die de machtsverhoudingen in Nederland radicaal veranderde. Hij verklaarde de koning onschendbaar en gaf meer zeggenschap aan de burgers. De overheid kreeg toen vooral een passieve rol; haar voornaamste taak was het garanderen van de vrijheid van burgers. Dit type staat, waarin de overheid zich enkel richtte op veiligheid en rechtshandhaving, maar economisch niets deed, noemen we de nachtwakersstaat. Dit leidde echter tot een groot verschil tussen arm en rijk en veroorzaakte veel sociale onrust.
Pas veel later, met de herziening van de Grondwet in 1983, kreeg de overheid een actievere rol in het bevorderen van welvaart en welzijn voor alle burgers, zoals we verderop zullen zien.
De opbouw van de Grondwet
De Grondwet zoals we die nu kennen, is opgebouwd uit twee hoofddelen. Het eerste deel behandelt de grondrechten van de burgers.
Klassieke en sociale grondrechten
Binnen het eerste deel van de Grondwet maken we een onderscheid tussen twee soorten grondrechten: klassieke en sociale grondrechten. Deze rechten zijn allemaal even belangrijk; er is geen hiërarchie tussen de verschillende grondrechten.
Klassieke grondrechten
De klassieke grondrechten zijn sterk gebaseerd op de waarden vrijheid en gelijkheid, principes die al ten grondslag lagen aan het sociaal contract en de oorspronkelijke ideeën van Thorbecke. Ze zijn bedoeld om de burgers vrijheden te verschaffen en te beschermen tegen ingrijpen van de staat. Er zijn drie hoofdcategorieën binnen de klassieke grondrechten:
1.Recht op gelijke behandeling: dit is vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet. Het omvat het verbod op discriminatie, ook wel het gelijkheidsbeginsel genoemd. Dit betekent dat niemand in Nederland gediscrimineerd mag worden op welke grond dan ook (denk aan afkomst, geloof, geslacht, geaardheid, et cetera).
2.Persoonlijke vrijheid: deze categorie zorgt ervoor dat je de vrije ruimte hebt om te gaan en staan waar je wilt en om zelf te bepalen over je eigen lichaam en leven. Enkele voorbeelden zijn:
•Recht op privacy: de overheid mag niet zomaar jouw brieven, e-mails of privédocumenten inzien.
•Onaantastbaarheid van het lichaam: niemand mag jou zomaar aanraken of fouilleren zonder geldige reden.
•Godsdienstvrijheid: je mag vrij je eigen geloof belijden of juist geen geloof hebben.
•Vrijheid van onderwijs: Je hebt de vrijheid om een school te kiezen die past bij jouw of je ouders' overtuigingen.
3.Politieke vrijheid: deze vrijheid draait om de mogelijkheid om je stem te laten horen en deel te nemen aan het democratische proces. Belangrijke aspecten zijn:
•Algemeen kiesrecht: vanaf je achttiende mag je stemmen op volksvertegenwoordigers.
•Vrijheid van vereniging: je mag je aansluiten bij een politieke partij, sportclub of andere organisatie.
•Vrijheid van meningsuiting: je mag zeggen en schrijven wat je denkt, zolang je je aan de wet houdt.
Sociale grondrechten
Na de Tweede Wereldoorlog groeide het besef dat de overheid niet alleen vrijheden moest garanderen, maar ook actief moest ingrijpen om de welvaart en het welzijn van de burgers te bevorderen. Want wat heb je aan stemrecht zonder goed onderwijs, of aan de vrijheid om te gaan en staan waar je wilt als je geen betaalbaar huis kunt vinden? Deze gedachte leidde tot het ontstaan van de sociale grondrechten in de herziene Grondwet van 1983. Dit zijn de plichten van de overheid ten aanzien van de burgers.
Voorbeelden van sociale grondrechten zijn:
•Het recht op werkgelegenheid.
•Het recht op een leefbare omgeving.
•Het recht op volksgezondheid.
•Het recht op woongelegenheid.
•Het recht op onderwijs.
De invoering van deze rechten markeerde de overgang van een nachtwakersstaat naar onze huidige verzorgingsstaat, waarin de overheid een actievere rol speelt in de samenleving.
Afdwingbaarheid
Er is een belangrijk praktisch verschil tussen klassieke en sociale grondrechten: hun afdwingbaarheid.
•Klassieke grondrechten zijn afdwingbaar. Dit betekent dat je je erop kunt beroepen bij de rechter als je vindt dat een van deze rechten is geschonden. Bijvoorbeeld, als je gediscrimineerd wordt, kun je naar de rechter stappen.
•Sociale grondrechten zijn niet afdwingbaar. Hoewel de overheid de plicht heeft zich hiervoor in te zetten, kun je de overheid niet aanklagen als je bijvoorbeeld vindt dat de scholen niet goed genoeg zijn, of dat er te weinig betaalbare woningen zijn. De overheid moet wel haar best doen om deze rechten te realiseren, maar je kunt haar hiervoor niet individueel dwingen via de rechter.
De grenzen van grondrechten
In onze rechtsstaat is het de bedoeling dat alle burgers veilig en in vrede kunnen samenleven. Dit betekent dat jouw vrijheid niet onbeperkt is.
Wederkerige erkenning
Een belangrijk principe is wederkerige erkenning. Dit houdt in dat de vrijheden en rechten die voor jou gelden, ook voor alle andere burgers gelden. Als jij de ruimte hebt om te gaan en staan waar je wilt, moet een ander dat dus ook kunnen. Jouw vrijheid mag de vrijheid van een ander niet inperken of schade toebrengen.
Grondrechten zijn niet absoluut
Grondrechten hebben geen absolute gelding. Dit betekent dat ze niet onbegrensd zijn en onder bepaalde omstandigheden kunnen worden ingeperkt. De Grondwet stelt dan ook dat grondrechten moeten worden uitgevoerd "behoudens ieders verantwoordelijkheid van de wet". Je mag dus geen wet overtreden bij het uitoefenen van jouw recht.
Een bekend voorbeeld hiervan is de zogenaamde "minder, minder"-uitspraak van Geert Wilders. Hij beriep zich op zijn vrijheid van meningsuiting. Echter, in het Wetboek van Strafrecht staat dat je niet mag discrimineren. De rechter oordeelde dat zijn vrijheid van meningsuiting in dit geval grenzen had, omdat het in strijd was met het discriminatieverbod. Hier zie je dus hoe twee belangrijke principes, vrijheid van meningsuiting en het verbod op discriminatie, met elkaar kunnen botsen.
Ook in de coronatijd zagen we voorbeelden van hoe grondrechten werden ingeperkt, zoals de avondklok die onze bewegingsvrijheid beperkte om de volksgezondheid te beschermen. In zulke gevallen moet een afweging worden gemaakt welk belang zwaarder weegt. Wanneer klassieke grondrechten met elkaar botsen, is het de rechter die uiteindelijk beslist welk grondrecht in die specifieke situatie zwaarder weegt en hoe ver de vrijheid van een individu reikt. Jouw vrijheid stopt in principe wanneer je daarmee een strafbaar feit pleegt of de rechten van een ander ernstig schendt.
De werking van grondrechten
Tot slot is het belangrijk te weten hoe grondrechten werken in verschillende relaties.
•Verticale werking: dit betekent dat je als burger je kunt beroepen op je grondrechten tegenover de staat. De staat moet jouw grondrechten respecteren en beschermen. Denk aan het recht op privacy tegenover overheidsinstanties.
•Horizontale werking: Grondrechten gelden niet alleen tussen burgers en de staat, maar ook tussen burgers onderling. Dit betekent dat je ook als burger de grondrechten van andere burgers moet respecteren. Zo mag een bedrijf jou bijvoorbeeld niet discrimineren bij een sollicitatie, omdat het gelijkheidsbeginsel ook horizontaal werkt.













