Er zijn verschillende theorieën over crimineel gedrag, zoals:
a de aangeleerd gedragstheorie
b de anomietheorie
c de bindingstheorie
d de rationele-keuze-theorie
Hieronder staan vier situaties: 1 Een dief heeft vrienden die ook stelen. 2 Een dief heeft weinig familie en vrienden en spijbelt erg veel. 3 Een dief heeft weinig geld omdat hij geen goed betaalde baan kon vinden, maar wilde ook die dure merkschoenen hebben. 4 Een dief zag dat er geen bewakingscamera’s in de winkel hingen en dacht dat hij niet gepakt zou worden. → Geef voor elke situatie aan met welke theorie over crimineel gedrag de situatie het best verklaard kan worden. Doe het zo: neem het onderstaande over en vul het antwoord aan. 1 = … (vul de theorie in) 2 = … (vul de theorie in) 3 = … (vul de theorie in) 4 = … (vul de theorie in)
