In de regels 2-16 (Hoc t/m deum) neemt Seneca drie keer een citaat op:
\begin{itemize} \item[1] terraeque urbesque recedant (regel 6) \item[2] quid t/m expulit (regel 8-9) \item[3] bacchatur t/m deum (regel 15-16) \end{itemize}

In de regels 2-16 (Hoc t/m deum) neemt Seneca drie keer een citaat op:
\begin{itemize} \item[1] terraeque urbesque recedant (regel 6) \item[2] quid t/m expulit (regel 8-9) \item[3] bacchatur t/m deum (regel 15-16) \end{itemize}
In welk van deze drie gevallen moet het citaat opgevat worden als een autoriteitsargument? Licht je antwoord toe.
Op deze pagina behandelen we vraag 6 van het centraal examen Latijn vwo 2018 – tijdvak 1. Deze vraag is onderdeel van Tekst 1, en is 2 punten waard.
Je kunt hier zelf het antwoord invullen en vervolgens direct de uitwerking en uitleg bekijken.
Daarnaast kun je: