Wanneer werd Nederland een koninkrijk?
Leerdoelen
•Je kunt de belangrijkste gebeurtenissen en veranderingen in Nederland vóór, tijdens en na 1848 beschrijven en in de juiste tijd plaatsen.
De start van een koninkrijk en de onrust van 1848
Het Koninkrijk der Nederlanden
Na de nederlaag van Napoleon bij Waterloo in 1815 werd Nederland een koninkrijk. Het vormde samen met België en Luxemburg één sterk rijk. Dit was bedoeld als een bufferstaat naast Frankrijk, zodat Frankrijk nooit meer zo machtig zou worden als onder Napoleon. Nederland kreeg een eigen grondwet en een tweekamerstelsel, bestaande uit een Eerste en een Tweede Kamer.

Koning Willem II
Na koning Willem I volgde zijn zoon Willem II hem op in 1840. Koning Willem II was erg conservatief. Hij hield niet van veranderingen en wilde alle macht bij zichzelf houden. Hij regeerde als een absoluut vorst en moest niets weten van democratie.

Europa in rep en roer
Maar in 1848 brak er veel onrust uit in Europa. Burgers kwamen in opstand en eisten meer inspraak in het bestuur. Ze wilden niet langer dat koningen of keizers alle macht hadden. Ook in Nederland werd het onrustig. Koning Willem II zag in dat hij moest ingrijpen en besloot dat er een nieuwe, herziene grondwet moest komen. Hij was bereid om een deel van zijn macht in te leveren, zolang hij koning kon blijven. Hij wilde geen onrust in zijn land.
De grondwet van Thorbecke
Johan Rudolph Thorbecke en de liberalen
De taak om de grondwet te herzien, kwam in handen van de liberalen, onder leiding van de invloedrijke politicus Johan Rudolph Thorbecke. Zij stelden belangrijke wijzigingen voor die de Nederlandse staat voorgoed zouden hervormen.

Belangrijke veranderingen in de grondwet
De koning onschendbaar, de ministers verantwoordelijk
Een van de belangrijkste nieuwe regels was dat de koning voortaan onschendbaar was. Dit betekende dat hij niet langer verantwoordelijk kon worden gehouden voor zijn daden. In plaats daarvan werd de ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd: de ministers werden verantwoordelijk voor de beslissingen en het beleid van de koning.
Parlementaire democratie en kiesrecht
Nederland werd met deze herziening een parlementaire democratie. Dit betekent dat het parlement (de Eerste en Tweede Kamer) voortaan door de bevolking werd gekozen. Hiermee kreeg het volk, of in ieder geval een deel ervan, invloed op het bestuur van het land. Let op: het kiesrecht was in die tijd nog niet voor iedereen. Alleen mannen boven de 25 jaar die een bepaald bedrag aan belasting betaalden, mochten stemmen. Dit heet censuskiesrecht. Veel mensen, vrouwen en de meeste mannen, mochten dus nog niet stemmen.
Scheiding der machten
Om te voorkomen dat één persoon of één groep te veel macht zou krijgen, werd de scheiding der machten ingevoerd. De drie machten controleren elkaar:
•De wetgevende macht (maakt wetten): dit is het parlement (de Eerste en Tweede Kamer).
•De uitvoerende macht (voert wetten uit): dit is de regering (de ministers en de koning).
•De rechterlijke macht (spreekt recht): dit zijn de rechters.
Klassieke grondrechten voor de burger
De nieuwe Grondwet bevatte ook belangrijke klassieke grondrechten voor de burgers, die hun bescherming boden. Denk hierbij aan: de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van onderwijs.
Hoe werkt de Nederlandse democratie?
De Tweede Kamer
De Tweede Kamer telt honderdvijftig zetels. Deze zetels worden verdeeld tijdens de verkiezingen. Burgers stemmen op een partij of persoon, in de hoop dat die een zetel in de Tweede Kamer bemachtigt. Om beslissingen te nemen of wetten aan te nemen, is een meerderheid van de stemmen nodig. Dat betekent minimaal zesenzeventig zetels (75 + 1).

Coalitie- en oppositiepartijen
Vaak wint geen enkele partij de verkiezingen met een absolute meerderheid van de zetels. Daarom gaan partijen met vergelijkbare ideeën samenwerken. Deze samenwerkende partijen vormen de coalitiepartijen. Zij leveren de ministers en gaan regeren. De overige partijen in de Tweede Kamer, die niet tot de coalitie behoren, heten de oppositiepartijen. Zij controleren de coalitie kritisch en wijzen op eventuele tekortkomingen. Omdat de coalitie de meerderheid heeft, kunnen zij de belangrijkste beslissingen en wetten doorvoeren.
Taken van het parlement
De belangrijkste taak van zowel de Eerste als de Tweede Kamer is het maken en goedkeuren van wetten. De Tweede Kamer heeft hierin een speciale rol, want alleen zij kunnen nieuwe wetsvoorstellen indienen en wetten wijzigen. De Eerste Kamer kan dit niet.
Daarnaast heeft het parlement (beide Kamers) verschillende rechten om de regering te controleren:
•Recht van budget: het parlement controleert de overheidsuitgaven en kan de begroting (het financiële plan van de regering) goed- of afkeuren.
•Recht van interpellatie: het parlement kan ministers ondervragen over hun beleid of bepaalde gebeurtenissen.
•Recht van enquête: het parlement kan een diepgaand onderzoek instellen naar een specifiek onderwerp van overheidsbeleid.
De bestuurslagen van Nederland
De Nederlandse democratie is georganiseerd in verschillende lagen, die elkaar aanvullen en controleren. Je hebt het Rijk, de provincie en de gemeente. Het is belangrijk om te weten hoe deze lagen zijn opgebouwd en hoe de vertegenwoordigers worden gekozen of benoemd.
•Rijk: hier vind je de Eerste en Tweede Kamer, de ministerraad en de koning. Dit zijn de landelijke bestuurders.
•Provincie: hier werken de Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning.
•Gemeente: hier zijn de gemeenteraad, wethouders en de burgemeester actief. Sommige vertegenwoordigers zijn direct gekozen (door de bevolking), andere zijn indirect gekozen (gekozen door een orgaan dat zelf direct gekozen is) en weer andere worden benoemd (door bijvoorbeeld de koning of een minister).

De Limburgse kwestie
Hoe de nieuwe grondwet in de praktijk werkte, werd duidelijk tijdens de Limburgse kwestie in 1867. Nederland, Luxemburg en België waren destijds met elkaar verbonden. Luxemburg was onderdeel van de Duitse Bond, hoewel Willem III wel groothertog van Luxemburg was. Koning Willem III wilde Luxemburg verkopen aan Frankrijk, om zo de invloed van de Duitse Bond te verminderen. De Duitse Bond hoorde van deze plannen en dreigde met oorlog. Uiteindelijk werd Luxemburg onafhankelijk en ging de verkoop niet door.

Deze kwestie bracht een groot probleem aan het licht: het parlement was niet ingelicht door de ministers over de plannen van de koning. Dit zorgde voor een vertrouwensbreuk tussen het parlement en de regering. De ministers, die immers verantwoordelijk waren voor de daden van de koning, hadden gefaald in hun taak. Het parlement eiste dat de ministers zouden aftreden. De ministers weigerden, gesteund door de koning. Maar omdat de koning onschendbaar was en het parlement weigerde financiële steun te geven, moest de regering uiteindelijk toch aftreden. Dit toonde de kracht van de nieuwe grondwet aan: de ministers waren verantwoording schuldig aan het parlement, en het parlement had de macht om de regering naar huis te sturen.













