Toon aan dat deze opvattingen naar voren komen in de tekst door per opvatting (4p):
• een argument te noemen om die opvatting te ondersteunen en
• aan te geven hoe die opvatting in de bron naar voren komt.


Sjors van BrakelToon aan dat deze opvattingen naar voren komen in de tekst door per opvatting (4p):
• een argument te noemen om die opvatting te ondersteunen en
• aan te geven hoe die opvatting in de bron naar voren komt.
•Je kunt de oorzaken van de industriële revolutie benoemen en uitleggen
•Je kunt gevolgen van de industrialisatie in Nederland beschrijven
•Je kunt de verschillende standpunten over het oplossen van de sociale kwestie met elkaar vergelijken
•De industriële revolutie die in de westerse wereld de basis legde voor een industriële samenleving
•Discussies over de sociale kwestie
De industrialisatie begon in Groot-Brittannië in de tweede helft van de achttiende eeuw. Een belangrijke oorzaak was de sterke bevolkingsgroei. Door verbeterde landbouwtechnieken en betere ziektebestrijding steeg de voedselproductie en daalde het sterftecijfer. Hierdoor groeide de bevolking snel. Tegelijkertijd was er minder werk nodig op het platteland, waardoor veel mensen op zoek gingen naar werk in andere sectoren. Dit zorgde voor een groot aanbod van goedkope arbeidskrachten.
Een tweede belangrijke oorzaak was de ontwikkeling van nieuwe uitvindingen. Machines zoals de Spinning Jenny, waarmee 64 draden tegelijk gesponnen konden worden, maakten het mogelijk om sneller en efficiënter te produceren. Ook de verbeterde stoommachine speelde een cruciale rol. Deze maakte het mogelijk om machines op grote schaal te laten draaien in fabrieken. Daardoor konden productieprocessen niet langer thuis plaatsvinden, maar moesten ze worden verplaatst naar grote werkplaatsen: de fabrieken. Hierdoor gingen arbeiders in loondienst werken bij fabriekseigenaren.

Door de industrialisatie ontstonden nieuwe vervoersmiddelen, zoals de stoomtrein en het stoomschip. Hiervoor werden spoorlijnen en kanalen aangelegd. In Nederland reed in 1839 de eerste stoomtrein, de Arend. Deze ontwikkelingen maakten het transport van goederen en mensen sneller en goedkoper.

Veel mensen verhuisden van het platteland naar de stad om in fabrieken te werken. Dit proces heet urbanisatie. Steden groeiden snel en er ontstond een industriële samenleving, waarin het grootste deel van de bevolking in de industrie werkte en in steden woonde.
Tijdens de industrialisatie veranderde ook de economie. Er ontstond industrieel kapitalisme. Ondernemers investeerden in grondstoffen, machines en arbeid om producten te maken en met winst te verkopen. Dit verschilde van het eerdere handelskapitalisme, waarbij vooral werd verdiend door handel.
Er ontstond een duidelijke scheiding tussen rijk en arm. Fabriekseigenaren en ondernemers werden vaak rijk, terwijl fabrieksarbeiders lange dagen werkten voor lage lonen. Hierdoor ontstond een nieuwe sociale ongelijkheid tussen deze groepen.
De sociale kwestie verwijst naar de slechte leef- en werkomstandigheden van arbeiders en de vraag hoe deze verbeterd konden worden. Arbeiders woonden vaak in kleine, overvolle huizen. Soms leefden meerdere gezinnen in één woning. Dit leidde tot slechte hygiëne en gezondheidsproblemen. Ook de werkomstandigheden in fabrieken waren zwaar. Arbeiders maakten lange werkdagen, verdienden weinig en werkten met gevaarlijke machines. Veiligheidsregels ontbraken vaak. Daarnaast was kinderarbeid heel normaal: ook jonge kinderen werkten lange dagen in fabrieken. De armoede viel extra op in de snelgroeiende steden, waardoor steeds meer mensen vonden dat er iets moest veranderen. Arbeiders probeerden hun positie te verbeteren door zich te organiseren in vakbonden.

Binnen het liberalisme bestonden verschillende opvattingen. Klassieke liberalen vonden dat de overheid zich zo min mogelijk moest bemoeien met de economie en de samenleving. Volgens hen waren arbeiders grotendeels zelf verantwoordelijk voor hun situatie. Als de economie bleef groeien, zou iedereen daar uiteindelijk van profiteren.
Linkse liberalen dachten daar anders over. Zij vonden dat de overheid wél een rol moest spelen bij het verbeteren van de situatie van arbeiders. Zij steunden bijvoorbeeld sociale wetten, zoals het verbod op kinderarbeid in fabrieken (zoals het Kinderwetje van Van Houten).
Socialisten zagen het kapitalisme als de oorzaak van de armoede onder arbeiders. Zij vonden dat de overheid actief moest ingrijpen om de situatie te verbeteren. Dit kon bijvoorbeeld door betere arbeidswetten en bescherming van arbeiders.
Confessionelen baseerden hun ideeën op religie. Zij vonden dat werkgevers en arbeiders samen tot oplossingen moesten komen. Als dat niet lukte, kon de overheid volgens hen ingrijpen. Ze zochten dus een middenweg tussen liberalen en socialisten.
Alle informatie die ik voor mijn toetsen moet kennen is aanwezig, de powerpoints zijn duidelijk en makkelijk te begrijpen. De opdrachten passen altijd goed bij het onderwerp en ondersteunen goed bij het leren. JoJoschool is erg overzichtelijk voor mij!
Ik gebruik het nu voor Biologie, het werkt ontzettend goed, het is heel overzichtelijk en alles wordt behandeld. Hoog rendement haal ik met leren, geen langdradige verhalen, maar ook niet te moeilijk. Het houdt ook automatisch bij hoe ver je bent.
Het is voor mij een erg goede manier om de leerstof voor toetsen te begrijpen. De video’s zijn een stuk duidelijker en beter dan de meeste video’s op YouTube.

86% van onze leerlingen zegt hoger te scoren.

Een alternatief op dure bijles, altijd uitgelegd door bevoegde docenten.

83% van onze leerlingen zegt onderwerpen sneller te begrijpen.







