Wat betekent het als een koning absolute macht heeft?
Leerdoelen
•Je kunt uitleggen hoe koningen sinds de late middeleeuwen steeds meer macht probeerden te krijgen.
•Je kunt uitleggen op welke manier Lodewijk XIV een absolute vorst was.
•Je kunt uitleggen waarom de Engelse koning geen absolute macht had.
Kenmerkende aspecten
•Het streven van vorsten naar absolute macht.
Absolute macht in Europa
In de periode van 1600 tot 1700, ook wel het tijdvak van regenten en vorsten genoemd, probeerden koningen in Europa steeds meer macht naar zich toe te trekken. Dit deden ze door de macht van de leenmannen te verminderen en het grondgebied zelf te besturen. Hierdoor konden ze streven naar absolute macht. Dit tijdperk wordt gekenmerkt door de opkomst van het absolutisme, waarbij vorsten streefden naar volledige controle over hun landen.
Frankrijk: Lodewijk XIV, de Zonnekoning
Een goed voorbeeld van een absolute vorst is Lodewijk XIV, ook wel bekend als de Zonnekoning. Hij nam alle besluiten zelf en was de hoogste rechter in zijn land. Om zijn macht te versterken, bouwde hij het indrukwekkende paleis van Versailles, waar zijn ministers en ambtenaren ook woonden. Dit stelde hem in staat om hen nauwlettend in de gaten te houden en hun loyaliteit te verzekeren.

Lodewijk XIV voerde ook het mercantilisme in, een economisch beleid gericht op het stimuleren van de eigen economie door belastingen te heffen op import en export. Hij stond geen rechten toe aan protestanten en zei dat zijn hele land katholiek moest zijn. Hiermee probeerde hij religieuze eenheid te creëren in het land. Veel Franse protestanten, de hugenoten, vluchtten daarom naar het buitenland, bijvoorbeeld naar Nederland. Daarnaast verklaarde Lodewijk XIV dat zijn macht van God kwam, wat bekend staat als het goddelijk recht. Zijn goed getrainde leger hielp hem zijn rijk te verdedigen en uit te breiden.
Engeland: geen absolutisme
In tegenstelling tot Frankrijk, slaagde de Engelse koning Jacobus II er niet in om absolute macht te verkrijgen. In Engeland was er een parlement dat bestond uit edelen en geestelijken, die wilden meebeslissen over de besluiten van de koning. Willem III, stadhouder van Nederland, speelde een cruciale rol in het beperken van de macht van Jacobus II. Hij kwam tot een overeenkomst met het parlement, waarbij hij koning van Engeland werd op voorwaarde dat hij altijd goedkeuring zou vragen aan het parlement voor zijn besluiten.
Belangrijke begrippen
•Absolutisme: de politieke doctrine waarbij de vorst alle macht in handen heeft.
•Mercantilisme: economisch beleid gericht op het versterken van de nationale economie door middel van handel en belastingen.
•Goddelijk recht: het idee dat de macht van de koning door God is gegeven.
•Parlement: een vergadering van vertegenwoordigers die meebeslissen over wetgeving en beleid.
•Minister: een hoge adviseur van de koning. Onder een absolute vorst had een minister geen beslissingsmacht.
•Leenman: iemand die een stuk land van de koning (de leenheer) in leen heeft en in ruil daarvoor de koning helpt.













