Op 15 januari 1790 schrijft troonopvolger Leopold van Oostenrijk aan zijn zus:
De heerser, zelfs een erfelijke, is alleen maar een ambtenaar van het volk, die alle aandacht moet geven aan het bevorderen van de welvaart van dat volk. In ieder land moet een grondwet tussen het volk en de soeverein overeengekomen worden, die de macht en de bevoegdheden van de soeverein begrenst. Als de vorst dit verdrag verbreekt, dan doet hij afstand van zijn positie en is niemand nog verplicht om hem te gehoorzamen. Alleen de uitvoerende macht ligt bij de heerser; de wetgevende bij het volk en zijn vertegenwoordigers.



