In 1788 moet Willem Frederik van Oranje Nassau, de latere Nederlandse koning Willem I, een opstel schrijven van zijn docent. Hij schrijft in dit opstel met de titel 'Volksregering':
Hij [een vorst] moet zich alle vorstelijke deugden eigen maken, te weten: godsvrucht, rechtvaardigheid en billijkheid, dapperheid, geheimhouding, voorzichtigheid, goedheid en weldadigheid. Dat laatste zonder verkwisting, een zeer gevaarlijke ondeugd. De nadelen van een democratie of volksregering zijn dat daarbij de toestemming van een groot aantal mensen nodig is. Dat maakt het zeer moeilijk om a: geheimhouding te garanderen en b: tot verstandige besluiten te komen. Een volksregering biedt een al te grote vrijheid, die vaak in een harde slavernij verandert omdat er meestal iemand opstaat die zich meester maakt van de gedachten van het volk, en zich door zijn invloed over dat volk vervolgens tot tiran ontwikkelt.



