In 203 arresteren de Romeinse autoriteiten in Noord-Afrika de christen Perpetua. In de gevangenis schrijft Perpetua in haar dagboek:
Toen we aan het middagmaal zaten, werden we weggesleurd voor verhoor. ( ... ) Toen was ik aan de beurt. En onmiddellijk verscheen daar mijn vader met mijn zoontje en zei: "Breng nu toch een offer, heb medelijden met je kind!" Procurator1 Hilarianus ( ... ) zei: "Heb medelijden met de witte haren van je vader, heb medelijden met je kleine kind! Breng het offer voor het heil van de keizers!" En ik zei: "Dat doe ik niet!" "Ben jij een christen?" vroeg Hilarianus. En ik antwoordde: "Ja, ik ben een christen!" En terwijl mijn vader daar zo stond om mij omlaag te halen, gaf Hilarianus bevel hem weg te duwen, en hij kreeg ervan langs met de stok. Ik had verdriet om mijn vaders lot alsof ik er zelf van langs kreeg: zo verdrietig was ik om zijn ellendige oude dag. Toen sprak Hilarianus over ons allen het vonnis en veroordeelde ons tot de wilde dieren. In blije stemming gingen we naar de gevangenis.
noot 1 Dit is een Romeinse gerechtsdienaar.



