De Duitse soldaat Hans S. schrijft op 28 juli 1941 vanuit de Sovjet-Unie een brief aan zijn vader in Duitsland:
Een treurig gezicht, als je zo door Rusland trekt. Ik ben van Polen al het een en ander gewend, maar dat het hier zo armoedig zou zijn, had ik niet verwacht. Veel muren van huizen staan scheef en worden gestut met planken. De daken zijn gedekt met stro, niet dicht, maar hier en daar iets, in flarden. In de stallen schijnt de maan naar binnen. Daar is alleen het geraamte nog aanwezig: vee hebben ze nauwelijks gehad. Ook met de akkers is het maar triest gesteld. Pas nu vinden we velden met haver. ( ... ) Het land is verwaarloosd en staat naar mijn mening aan de rand van de ondergang. Mij wordt nu veel duidelijk, hoe die hongersnoden in Rusland konden ontstaan, wat me tot nu toe een raadsel was. Je zou Duitse communisten naar dit arbeidersparadijs moeten brengen, dan zouden ze voorgoed genezen zijn.
