In 1522 schrijft paus Adrianus VI een brief aan de humanist Erasmus, die bekend is door zijn tekstuitgaven van Griekse en Romeinse schrijvers uit de vroege geschiedenis van het christendom:
Vanwege de genegenheid die wij u toedragen en vanwege uw verlangen naar faam en ware eer sporen wij u aan dat u uw pen tegen die nieuwe ketterijen zou oefenen. ( ... ) U hebt een grote geesteskracht, een ruime geleerdheid, een vlotheid van schrijven zoals bij ons weten maar zeer weinig anderen, zo al iemand anders die heeft. Daarnaast geniet u ook bij die volkeren waar dit kwaad ontstaan is, een grote autoriteit en gunst. En deze gaven moet u gebruiken tot eer van Christus en de verdediging van de Kerk en het heilig geloof: Hij heeft ze u uiteindelijk ook in Zijn welwillende vrijgevigheid geschonken! ( ... ) U zult uw inspanningen die u zo lang gewijd hebt aan de bevordering van de goede letteren en de verfraaiing en verrijking van de Heilige Schrift, door dit heilige werk nog veredelen.
