Op 22 juni 1941 zei de Britse premier Churchill na de Duitse inval in de Sovjet-Unie in een radiotoespraak: “De verschrikkelijke oorlogsmachine, die wij en de rest van de beschaafde wereld zo dwaas, zo nalatig, de nazi-gangsters hebben toegestaan praktisch uit het niets op te bouwen, kon natuurlijk niet ongebruikt blijven staan (…). Mijn gedachten gaan terug naar de jaren dat het Russische leger onze bondgenoot was tegen dezelfde dodelijke vijand.”
Churchill wilde met deze toespraak een koerswijziging in het buitenlandse politieke beleid van Groot-Brittannië ondersteunen.
