In 1941 werd de Artsenkamer opgericht door de Duitse bezetter. Elke arts in Nederland moest lid worden van de Artsenkamer om te mogen blijven werken. De meerderheid van de Nederlandse artsen weigerde lid te worden van de Artsenkamer.
Welk begrip hoort bij de oprichting van de Artsenkamer? En welk begrip hoort bij de weigering om lid te worden?
oprichting | weigering | |
A | gelijkschakeling | collaboratie |
B | gelijkschakeling | verzet |
C | propaganda | collaboratie |
D | propaganda | verzet |
